stpiusx.be
| stpiex.be
|
|||
Het vergaan van de huwelijkskuisheid
De invloed van priesters op de geboorteregeling onder katholieken in Nederland in de periode 1935-1970Veelvuldige studies wijzen op een duidelijke verandering in het beleven van het huwelijk in Nederlandse gezinnen. Rooms -katholieke gezinnen verschilden duidelijk van andere christelijke gezinnen vooral door een volledig andere kijk op voortplanting en op de waarde van kinderen. In dit artikel bestuderen wij de rol van de Nederlandse geestelijkheid bij en haar houding tegenover de geboortedaling onder katholieken gedurende de periode 1935-1970. Wij maken daarvoor met name gebruik van informatie afkomstig uit een serie diepte-interviews gehouden met priesters die gedurende de betreffende periode werkzaam waren in het bisdom Breda. Centraal staan de ervaringen van de priesters zelf, hun definitie van de situatie en hun opvattingen over de veranderingen die zich in het huwelijksleven en de voortplanting van gelovigen voordeden en de reacties van de priesters op deze veranderingen. Daling van de vruchtbaarheidDe demografische ontwikkeling van Nederland onderscheidt zich van die in andere landen van West-Europa door een relatief late en geleidelijke daling van het kindertal. Als gevolg daarvan ligt vanaf ongeveer 1910 de vruchtbaarheid in Nederland beduidend hoger dan in andere landen in deze regio. Pas halverwege de jaren zestig van de twintigste eeuw bereikt het vruchtbaarheidscijfer het Europees gemiddelde. Over deze afwijking van het West-Europese patroon kwam halverwege de jaren vijftig een discussie op gang. Van meet af aan werd de vruchtbaarheid in verband gebracht met het feit dat onder Nederlandse katholieken de daling van het kindertal ver achterbleef bij die van andere kerkelijke gezindten. Retrospectieve gegevens uit volkstellingen tonen aan dat al onder vrouwen gehuwd vóór 1900 een duidelijk verschil in gemiddeld kindertal bestond tussen katholieken en andere kerkelijke gezindten. Katholieke echtparen hadden gemiddeld twee kinderen meer dan andere vrouwen, een verschil dat gehandhaafd bleef tot aan de paren die in de jaren dertig huwden. Onder katholieke paren die huwden in de jaren veertig daalde de vruchtbaarheid echter sterk. Gegevens met betrekking tot meer recente huwelijkscohorten wijzen uit dat de vroegere grote verschillen tussen de kerkelijke gezindten nagenoeg zijn verdwenen. Zo blijkt dat onder paren gehuwd na 1960 de vruchtbaarheid onder protestanten hoger ligt dan onder katholieken. De sterke daling van de vruchtbaarheid van de Nederlandse katholieken in de periode 1935-1970 hangt nauw samen met de grote veranderingen die in de katholieke Kerk en in de Nederlandse katholieke kerkprovincie in het bijzonder vanaf de jaren vijftig hebben plaatsgevonden, zowel met betrekking tot de leer inzake huwelijk en voortplanting, als in de organisatie van die kerk.
Nauwelijks discussieTot in de jaren vijftig was er in Nederland onder priesters, theologen of leken nauwelijks sprake van openlijke discussie over de huwelijksmoraal, de katholieke leer aangaande huwelijk en geboorteregeling, hooguit enige discussie over de toelaatbaarheid van en voorwaarden voor toepassing van periodieke onthouding (P.O.). Procreatie was het eigenlijke en belangrijkste doel van het huwelijk en het gebruik van anticonceptiva was in beginsel verboden. Deze leerstelling was duidelijk verwoord in de encycliek Casti Connubii (Over het kuise huwelijk) van paus Pius XI uit 1930. Het ontnemen van de natuurlijke mogelijkheid tot voortplanting aan de geslachtsdaad was een schending van de goddelijke natuurwet, geboorteregeling, waarbij die wet werd geschonden, een overtreding tegen de huwelijkskuisheid en een doodzonde. Wel was in de formulering van de encycliek een eerste indicatie te zien van een toelaatbaar gebruik van P.O. als methode waarbij de intrinsieke aard van de geslachtsdaad niet wordt aangetast. Officieel werd P.O. echter pas in 1952 door paus Pius XII onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar genoemd. Ontwikkelingen in de theologieAls gevolg van ontwikkelingen in de theologie en vernieuwingen in de internationale katholieke kerkgemeenschap werd de katholieke leer ten aanzien van huwelijk en geboorteregeling vanaf de jaren vijftig steeds meer ter discussie gesteld. Deze discussie werd gestimuleerd door de meer welwillende houding ten aanzien van geboorteregeling binnen de protestantse en anglicaanse kerken en door de technologische ontwikkelingen op het gebied van geboorteregeling. De internationale aanzetten tot discussie en verandering op diverse terreinen vonden binnen de Nederlandse kerkprovincie een vruchtbare voedingsbodem. Als gevolg daarvan evolueerde de Nederlandse kerkprovincie binnen één decennium van hét model van het traditionele 'pre-Vaticanum II katholicisme' tot 'de avant-garde van de internationale kerk', van een 'Volkskerktype', een kerk die op lokaal niveau alle facetten van het sociale leven controleerde en beheerste, ontwikkelde de kerk zich tot een 'denominatie in een geseculariseerde samenleving'. De roldefinities en onderlinge verhoudingen van bisschoppen, priesters en leken werden daarbij drastisch gewijzigd. De hiërarchische structuur veranderde in een structuur gebaseerd op collegialiteit en dialoog. De strenge externe controle en sanctionering werden vervangen door gedragscodes en persoonlijke morele controle. Het veranderend gedrag inzake geboorteregeling was onlosmakelijk verbonden met de structurele veranderingen die in de jaren vijftig en zestig binnen de Nederlandse kerkprovincie plaatsvonden. De institutionele omslag in de Nederlandse kerkprovincie bracht grote veranderingen teweeg in de rol en de positie van de clerus. Meer nog dan in andere landen heeft dat een effect gehad op de aard en snelheid van de veranderingen in de vruchtbaarheid van de katholieken in Nederland. De clerus die voorheen de belangrijkste rol speelde bij de verbreiding en uitleg van de katholieke huwelijksmoraal, bij de controle over de naleving van die moraal, en bij de organisatie van het katholieke gemeenschapsleven, verloor in de jaren vijftig en zestig grotendeels haar taak en positie. Rol van de priesterOm de rol van de priesters in perspectief te plaatsen wordt allereerst ingegaan op hun positie in de periode waarin de Nederlandse katholieken in vergelijking met niet-katholieken in Nederland en in vergelijking met geloofsgenoten elders door hoge vruchtbaarheid werden gekenmerkt. Vervolgens wordt stilgestaan bij de veranderingen in de priesterlijke rol en taak vanaf het midden van de jaren vijftig. Na een korte uiteenzetting van het onderzoeksdesign, de selectie van respondenten en de constructie van de vragenlijsten wordt informatie gegeven over de sociale achtergrond van de priesters, de voorbereiding op hun taak als hoeder van de katholieke leer met betrekking tot huwelijk, seksualiteit en geboorteregeling, de wijze waarop zij in hun praktijk met het gedrag van gelovigen werden geconfronteerd, hun reacties daarop en de veranderingen in reactie, houding en meningsvorming aangaande geboorteregeling. De meest bevredigende verklaring van de trage daling van de vruchtbaarheid onder Nederlandse katholieken tot ongeveer het midden van de jaren vijftig van de twintigste eeuw berust op een combinatie van de effecten van de katholieke leer betreffende huwelijk en gezin c.q. geboorteregeling en de specifieke sociale context waarin de katholieken zich bevonden. De Nederlandse katholieken onderscheidden zich van hun geloofsgenoten elders door hun sterke organisatiegraad, hun grote strijdvaardigheid en een sterk religieus elan. Dat religieus elan manifesteerde zich vooral in een grote volgzaamheid en onderdanigheid aan het Roomse gezag en de Roomse leerstellingen. De oorsprong van deze houding was het feit dat de katholieken eeuwenlang slachtoffer waren van religieuze en economische onderdrukking. In hun strijd tegen de protestantse dominantie ontwikkelden de Nederlandse katholieken een eigen religieuze gestrengheid in hun pastorale activiteiten en in de toepassing van religieuze en morele maatstaven. In dat eigen karakter van de Nederlandse katholieken speelde ook de geografische concentratie een rol. Katholieken leefden relatief geïsoleerd en het katholieke zuiden kende weinig contact met de grote steden in het westen.
Specifieke positie van NederlandDe specifieke positie van de Nederlandse katholieken kwam tot uiting in de zeer strikte interpretatie van de Vaticaanse regels en voorschriften betreffende huwelijk en gezin, zowel door de clerus als door de gelovigen. De strijd tegen geboorteregeling en het gebruik van anticonceptiva was in katholieke kring veel feller dan in andere Europese landen en ook de verheerlijking van het grote gezin was nergens zo verbreid als in Nederland. Binnen de katholieke Kerk als zodanig en binnen de kerkelijk-georiënteerde organisaties vervulden de priesters een belangrijke rol. In beginsel was is de rol van de priester die van een intermediair tussen de gelovige en God. Als exclusief bedienaar van de heilsmiddelen van de Kerk, de sacramenten als biecht en communie, heeft de priester een centrale plaats in de katholieke religieuze gemeenschap. Het belang van die positie neemt toe naarmate gelovigen meer belang hechten aan hun persoonlijk zielenheil, hun voortleven na de dood. Alleen via de priester als bedienaar van de heilsmiddelen kan namelijk na een biecht absolutie voor de zonden worden verkregen. De centrale plaats van de priester in de katholieke gemeenschap is ook herkenbaar aan het feit dat zijn aanwezigheid noodzakelijk wordt geacht bij ceremoniën rondom belangrijke persoonlijke gebeurtenissen als huwelijk, geboorte en dood. Bij de op- en uitbouw van de katholieke zuil kregen priesters, naast deze religieuze rol echter ook steeds meer een sociaal-organisatorische rol. Veel katholieke organisaties, zowel op landelijk als plaatselijk niveau, ontstonden op initiatief van of met de hulp van priesters. Elke katholieke organisatie of vereniging had een priester als geestelijk adviseur, als waarborg voor het juiste katholieke karakter. De geestelijkheid had zo contact met het bestuurlijk niveau van alle katholieke organisaties, de politieke organisaties ingesloten. Vooral in Zuid-Nederland functioneerde de geestelijkheid als een intellectuele elite die grote invloed had op informatie, communicatie, opinie en houding. Priesters stuurden de beslissing welke boeken voorhanden waren in bibliotheek of boekwinkel, welke toneelstukken of films vertoond mochten worden, wat er uitgezonden werd door de Katholieke Radio Omroep (K.R.O.) of wat in katholieke kranten werd gepubliceerd. Op plaatselijk niveau kon het oordeel van de priester beslissend zijn voor benoeming of indienstneming van personeel en kon het bepalend zijn voor de economische voor- of tegenspoed van winkeliers en ondernemers. De machtspositie van de priesters was direct en indirect van invloed op de omgang van gelovigen met geboorteregeling. Actieve bemoeienis van priesters met de gezinsplanning van gelovigen was zeker tot het einde van de jaren vijftig geen uitzondering. In verscheidene studies hebben gelovigen van het bestaan van dergelijke praktijken in de jaren dertig, veertig en vijftig kond gedaan. Uit een onderzoek onder een beperkt aantal katholieke huwelijksparen bleek dat het vragen van toestemming aan de priester tot het toepassen van P.O. tot in de jaren zestig in sommige katholieke families gebruikelijk was. Verandering in de positie van de clerusHoewel de vruchtbaarheid onder katholieken in vergelijking met die van andere groepen tot de jaren vijftig relatief hoog bleef, was toch van een duidelijke daling van het kindertal sprake. De officiële leer over huwelijk, gezin en geboorteregeling sloot na de Tweede Wereldoorlog dus steeds minder aan bij de feitelijke seksuele praktijk van de Nederlandse katholieken. Het verschil tussen de leer en de sociale werkelijkheid werd steeds groter en dat moedigde individuele gelovigen ertoe aan oplossingen voor hun problemen te zoeken buiten die officiële leer om. Hoewel de voorwaarden die de katholieke leer aan de toepassing van P.O. stelde niet veranderd waren, - P.O. was alleen toegestaan als een (hernieuwde) zwangerschap gezondheidsrisico voor de vrouw met zich mee zou brengen of als gezinsuitbreiding de toekomstige zorg in dat gezin ernstig zou bedreigen - vond P.O. meer en meer toepassing onder katholieken.
Aanvankelijk was er binnen de katholieke kerkleiding een groeiende angst voor wat men zag als geloofsverlies en moreel verval en daarop werd gereageerd door keer op keer de katholieke leer en moraal te herbevestigen (Oosterhuis, 1999). In reactie op de dreiging van moreel verval, maar ook in reactie op de sociale en individuele problemen die de na de Tweede Wereldoorlog plaatsvindende sociale veranderingen (industrialisatie, urbanisatie, mobiliteit, verbreiding van radio en televisie) met zich meebrachten, ontwikkelde zich de katholieke geestelijke gezondheidszorg. De totstandkoming ervan werd gestimuleerd door het systeem van overheidsfinanciering en de competitie met vergelijkbare niet-katholieke instituten en organisaties. Op het gebied van huwelijk, gezin en seksualiteit moesten de traditionele hoeders van de moraal, de priesters en katholieke medici, meer en meer plaats maken voor de nieuwe professionals die voortkwamen uit deze, zich steeds verder ontwikkelende, katholieke geestelijke gezondheidszorg. Die professionals brachten steeds duidelijker naar voren dat de oude, op religieuze moraal en pastoraat berustende benaderingswijze niet langer aan de bestaande geestelijke behoeften kon voldoen en dat aanpassing van de katholieke moraal noodzakelijk was. Geestelijke gezondheidszorgDe professionalisering van de geestelijke gezondheidszorg en de sociale hulpverlening in katholieke kring leidde tot het ontstaan van een nieuw referentiekader: wat aanvankelijk gedefinieerd was in termen van moraal en zonde werd steeds meer gedefinieerd in termen van geestelijke gezondheid. Normalisatie en integratie, op basis van psychosociale strategieën, kwamen in de plaats van sancties en verboden. Seksuele normering werd meer en meer gerelateerd aan algemene menselijke waarden als (geestelijke) gezondheid, welbevinden en persoonlijke groei. Seksualiteit werd niet langer alleen gezien in termen van procreatie maar als een autonoom middel tot communicatie, expressie en bevestiging van de liefdesband tussen partners, eerst nog alleen binnen het huwelijk maar geleidelijk aan ook buiten het huwelijk . Deze omslag van voortplantingsmoraal naar relatie-ethiek, beginnend onder professionals in de hulpverlening maar snel ook zichtbaar in discussies over seksualiteit en geboorteregeling binnen andere delen van de katholieke Kerk, vormt de achtergrond waartegen de versnelde daling van de huwelijksvruchtbaarheid onder katholieken in de jaren vijftig moet worden gezien. Voorbeelden van die zich ontwikkelende nieuwe ethiek zijn de activiteiten vanuit het militaire vormingscentrum Waalheuvel in Ubbergen, de omslag die het vakblad van katholieke artsen (het 'R.K. Artsenblad' ) en de R.K. Artsenvereniging ondergingen (Van Berkel, 1990; Westhoff, 1986) en de radiopraatjes van de psychiater dr. C.J. Trimbos in de jaren 1960 en 1961 over de geestelijke gezondheid in huwelijk en gezin. In de loop van de jaren vijftig toonden ook de Nederlandse kerkelijke autoriteiten dat zij zich bewust waren van de problemen van huwelijksparen met gezinsplanning en geboorteregeling. In een voordracht over 'Familieproblemen in onze tijd' in 1959 stelde Mgr. Alfrink, de aartsbisschop van Utrecht, dat hij besefte hoe drukkend het probleem van de huwelijksseksualiteit voor gelovigen kon zijn. Mgr. Bekkers: televisie-voordrachtenDe bepaling van het beleid betreffende huwelijk en geboorteregeling was uiterst complex. Moeilijkheden deden zich niet enkel voor op het terrein van de theologie en moraal maar betroffen ook religieuze autoriteit en lekenautonomie, de competentie van leken om zelf te kunnen oordelen over wat moreel correct of aanvaardbaar was. De positie van de gelovigen werd een steeds belangrijker aspect van de discussies en veranderingen in de internationale katholieke Kerk. Als leken op het gebied van kindertal en geboorteregeling geen eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid konden krijgen, zouden ze nooit een volwaardig deelgenoot van de katholieke kerkgemeenschap kunnen zijn. Juist die gedachte begon in de periode, de facto voorafgaand aan het tweede Vaticaans concilie, op veel plaatsen binnen de internationale Kerk sterk te leven. Terwijl de discussies over geboorteregeling en lekenautonomie binnen de Nederlandse kerkprovincie werden gevoerd, wijdde Mgr. Bekkers, de bisschop van Den Bosch, drie televisie-voordrachten aan de problematiek van huwelijk en geboorteregeling. De eerste uitzending, in maart 1963, was de eerste openbare bisschoppelijke reactie op de steeds sterker naar voren gebrachte problemen van katholieken met de huwelijksmoraal. In zijn voordracht wees Bekkers erop dat alleen de gehuwden de vraag kunnen beantwoorden welke de grootte van hun gezin moet zijn. 'Dit is hun gewetenszaak waarin niemand treden mag. Zielzorger, arts of wie ook tot raad geven geroepen wordt moet zoveel mogelijk dat eigen geweten tot zijn recht laten komen (...)'. In zijn voordracht refereerde Bekkers ook aan de nieuwe technologische ontwikkelingen op het gebied van geboorteregeling, de introductie van de anticonceptiepil, maar noemde de morele oordeelsvorming van de Kerk daarover nog onzeker en afhankelijk van de uitkomst van het, in dat stadium nog onvolledige, medische oordeel over de werking van de pil. De reactie op deze televisievoordracht van Mgr. Bekkers was enorm. De tekst werd door verschillende kranten integraal afgedrukt en duizenden mensen reageerden in brieven aan het bisdom. Brief van Nederlandse bisschoppenRuim vier maanden na de televisievoordracht van Mgr. Bekkers publiceerden de gezamenlijke Nederlandse bisschoppen een brief aan hun priesters met nadere instructies over de omgang met deze zaken bij de biecht, waarin het persoonlijke geweten van de gelovigen als de in laatste instantie beslissende factor werd betiteld. De priester moest de gelovige in de rol van raadgever adviseren en bijstaan in de persoonlijke gewetensvorming, maar niet de dwingende oplegger van een hoger geweten zijn. Deze nieuwe manier van omgaan met vragen rondom huwelijk en geboorteregeling illustreert treffend de veranderende rollen van priesters en leken binnen de Nederlandse katholieke Kerk. In 1968 verscheen de encycliek Humanae Vitae van paus Paulus VI. Daarin werd, in weerwil van de grote veranderingen binnen de Nederlandse kerkprovincie, de leer die het gebruik van anticonceptiva anders dan P.O. aan katholieken verbood, in nieuwe bewoordingen nogmaals bevestigd. De veranderde situatie in Nederland had zich inmiddels echter bestendigd en de traditionele normen aangaande seksualiteit en het huwelijk hadden hun invloed verloren. In 1969 verklaarde 93 procent van de Nederlandse katholieken dat de pauselijke richtlijn geen enkele invloed had op hun gedrag. Aan priesters werd door gelovigen nog nauwelijks een rol toebedeeld bij vragen of keuzes aangaande gezinsplanning en geboorteregeling. Voor 75 procent van de gelovigen had de priester geen enkele functie, de helft van de gelovigen achtte de priester zelfs niet in de positie om te kunnen oordelen over zaken betreffende seksualiteit. Slechts tien procent van de huwelijksparen jonger dan vijftig jaar had geboorteregeling ooit besproken met een priester.
Survey onder parochiepriestersEen survey onder 838 parochiepriesters in Nederland uit 1969 toonde aan dat nog maar vijf procent der priesters procreatie als belangrijkste doel van het huwelijk zag. Ongeveer tachtig procent zei nog slechts zelden of nooit door gelovigen geraadpleegd te worden over gezinsplanning of geboorteregeling. De meeste priesters noemden het afstand nemen van de officiële leer inzake huwelijk en geboorteregeling geen belemmering om een 'goed katholiek' te zijn. Het volgen van het eigen geweten door gelovigen werd door 89 procent van de priesters de geëigende weg genoemd om morele problemen met geboorteregeling op te lossen. De reacties van de Nederlandse katholieken op Humanae Vitae, van gelovigen, priesters en bisschoppen, illustreren de veranderingen die de Nederlandse katholieke kerkprovincie, althans het overgrote deel daarvan, had ondergaan. Van een extreem Rome-getrouwe kerkprovincie begin jaren vijftig was die kerkprovincie geëvolueerd tot de avant-garde van de internationale katholieke Kerk, al begon het verzet daartegen vanuit behoudende kringen binnen die kerkprovincie wel steeds meer op gang te komen. Vanaf ongeveer 1970 werd ook het beleid van Rome er steeds meer op gericht de Nederlandse kerkprovincie hernieuwd aan de kerkelijke richtlijnen te binden. Binnen de Nederlandse kerkprovincie leidde die beleidsverandering tot afwijzende reacties: vele priesters en religieuzen traden uit hun ambt, veel katholieken keerden zich meer en meer af van de Kerk en haar voorschriften. Het aantal priesterwijdingen dat na een korte opleving na de bevrijding een dalende trend vertoonde nam steeds sterker af. De afname van het aantal priesters aan het einde van de hier onderzochte periode en de conflicten binnen de Nederlandse kerkprovincie na 1970 zijn voor dit onderzoek echter van minder belang. Onderzoek onder priestersHoe bezien de priesters achteraf hun rol in de verbreiding en naleving van de katholieke huwelijksmoraal in de periode tot 1970? Hoe beoordelen ze de veranderingen die zich op dit punt in de Nederlandse katholieke Kerk hebben voorgedaan en wat voor rol hebben zij daarbij in hun ogen gespeeld? Welke betekenis heeft de veranderende rol van de priesters en de veranderende verhouding tussen episcopaat, priesters en gelovigen gehad voor de veranderende houding van de Nederlandse katholieken ten opzichte van geboorteregeling? Om licht te werpen op deze vragen werd een onderzoek uitgevoerd onder priesters die gedurende de periode 1935-1970 direct dan wel indirect met deze problematiek te maken hadden. De beperking tot deze periode ligt voor de hand. Immers, na 1970 is van een specifiek katholiek vruchtbaarheidspatroon geen sprake meer, terwijl 1935 ongeveer de uiterste grens vormt, waarop door momenteel nog levende priesters kan worden teruggeblikt.
Om een zo breed mogelijk scala aan priesterlijke ervaringen in het onderzoek te betrekken is een gemêleerde groep priesters geïnterviewd. Niet alleen diegenen die in de dagelijkse praktijk met de problemen van hun gelovigen werden geconfronteerd en daarvoor oplossingen moesten zoeken zijn voor ons onderzoek van betekenis, ook de rol van hen die op meer afstandelijke en sturende posities bij de opleiding van de priesters en in het episcopale beleid met de problematiek te maken hadden vraagt om nader onderzoek. Daarnaast werd besloten ook enige priesters te interviewen die niet aan de autoriteit van het bisdom waren gebonden. Binnen een bisdom kunnen namelijk kloosterkerken en parochiekerken worden aangetroffen die door reguliere geestelijken, priesters van een kloosterorde, worden bediend en bestuurd. Dergelijke kloosterkerken hebben een specifieke plaats in de verlening van pastorale zorg en de eraan verbonden geestelijken hebben, op eigen wijze, bemoeienis gehad met de huwelijksmoraal onder de katholieken. Ervaringen met de huwelijksmoraalAlle priesters bevestigen dat ze in dat werk met problemen van gelovigen met de katholieke huwelijksmoraal te maken hebben gehad en dat zij werden geconfronteerd met het feit dat gelovigen zich niet aan de leer van de Kerk hielden c.q. hebben kunnen houden. De ervaringen van priesters in deze zijn echter divers. De huwelijksmoraal was, zo blijkt uit alle gesprekken, vooral een zaak voor de biechtstoel. Alle priesters vertellen dat hun bij het afnemen van de biecht door biechtelingen werd verteld dat men tegen de huwelijkskuisheid had gezondigd. Over hun toenmalige reactie op die confrontatie met problemen die gelovigen met de huwelijksmoraal hadden, alsmede over de frequentie van die confrontatie, spreken de oudere en jongere priesters verschillend. De oudere priesters vermelden met name hun moeilijkheden met deze kwestie. 'Ik vond het ontzettend moeilijk en wel om deze reden: ik zag de nood van mensen maar achtte mijzelf toen toch gebonden aan de leer van de Kerk. Dus de ruimhartigheid, laat ik zeggen de principiële benadering die ik naderhand gekozen heb (...) dat het geweten van mensen zelf het uitgangspunt is en dat het geweten zich moet confronteren met de leer van de Kerk ... Vanwege het toenmalige overschot aan priesters in het bisdom Breda werd hij, samen met elf jaargenoten, tijdelijk uitgeleend aan het aangrenzende Belgische bisdom Mechelen. 'Ik kwam in België en voordat ik daar als kapelaan begon moest ik eerst op audiëntie bij de hulpbisschop van Mechelen voor nadere instructies. Die zei me dat ik het zijn goede gelovigen in deze niet te moeilijk moest maken met dat calvinistische gedoe wat ze in Nederland gewoon waren. (...) Ik heb het er dus zelf nooit meer moeilijk mee gehad want ik kreeg meteen van hogerhand een andere instructie (...). Maar voor de mensen hier kon het erg moeilijk zijn.' P.O. minder belangrijkOp basis van hetgeen priesters vertellen lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat P.O. minder belangrijk is geweest als anticonceptiemethode onder katholieken dan op basis van de theoretische discussies daarover wordt aangenomen. Ondanks de brede aandacht voor P.O. als hét katholieke antwoord op de vraag naar gezinsplanning en geboorteregeling wordt P.O. door priesters niet genoemd als breed toegepaste geboorteregelingsmethode onder katholieken in Nederland. Bijna alle priesters noemen het een onpraktische en moeilijke methode. Bij de inschatting die priesters maken van het gebruik van P.O. door gelovigen moet echter een kanttekening worden geplaatst. Die inschatting zou enigszins vertekend kunnen zijn omdat na verkregen toestemming, ook van een andere priester dan de biechtvader, de toepassing van P.O. immers in de biecht niet meer ter sprake hoefde te komen. De gevallen waarin P.O. probleemloos werd toegepast zouden door priesters te weinig betrokken kunnen zijn in de oordeelsvorming. Verder wordt door priesters bevestigd dat in de loop der tijd steeds minder gelovigen zich bij de planning van hun kindertal door de huwelijksmoraal van de katholieke Kerk lieten leiden. Dat was al zo voordat de anticonceptiepil in Nederland in 1963 op de markt kwam, maar dat zou nadien in nog veel grotere mate het geval worden. Op basis van enige uitlatingen van jongere priesters over de frequentie waarmee zij met problemen van gelovigen met de huwelijksmoraal werden geconfronteerd, lijkt de conclusie te kunnen worden getrokken dat de katholieke huwelijksmoraal in stedelijke gebieden voor minder gelovigen een probleem was dan voor gelovigen op het platteland. ConclusiesHet hier gepresenteerde onderzoek naar de rol van de geestelijkheid bij de vruchtbaarheidsdaling levert op een aantal punten een ander beeld van deze rol op dan oprijst uit de sociologische en historische literatuur waarin een institutioneel of lekenperspectief vooropstond. Het meest opvallend is het grote verschil dat te constateren valt tussen het beeld dat de geestelijkheid zelf van haar rol schetst en datgene wat uit de literatuur naar voren komt. In het onderzoek naar het gedrag van katholieke gelovigen en hun geestelijke leiders dat vooral de hoogtijdagen van de verzuiling in Nederland betreft, is de nadruk gelegd op de gedragscontrole door de geestelijken over hun gelovigen. In hetgeen priesters vertellen komt echter sterk de door hen gevoelde pastorale verantwoordelijkheid voor gelovigen tot uitdrukking. Slechts één priester bevestigt uit eigen ervaring de verhalen over druk die bij huisbezoeken op echtparen werd uitgeoefend. Priesters noemen hun betrokkenheid bij de gezinsplanning van gelovigen de facto beperkt. Al noemen zij de positie van priesters in de vroegere katholieke samenleving prominent, toch vertellen ze ook dat het zondebesef en het moreel-religieus handelen van de gelovigen niet afhankelijk was van de nabijheid van de priester. De kennis die de gelovigen hadden van de katholieke doctrines en de moreel-religieuze gedragsregels was het product van een historisch socialisatieproces dat in de katholieke gemeenschap overal en voortdurend werd herhaald. Alle priesters vertellen dat ze in de loop van de jaren vijftig steeds minder te maken kregen met de wijze waarop gelovigen aan gezinsplanning en geboorte-regeling deden en dat de biechtpraktijk halverwege de jaren zestig compleet was verdwenen. De jongere priesters spreken over hun seminarietijd als een periode waarin de behoefte aan verandering, in zowel kerkelijke organisatie als doctrine, alom voelbaar was. Ze beschrijven hun toenmalige docenten aan het grootseminarie als initiators van dergelijke veranderingen. Daarmee bevestigen zij de conclusies uit eerder onderzoek die suggereerden dat de veranderingen binnen de Nederlandse katholieke kerk vooral geïnitieerd werden vanuit de katholieke organisaties zelf. Uit hetgeen priesters vertellen blijkt dat die veranderingen niet enkel door intellectuele leken en professionals in aanverwante katholieke organisaties aangemoedigd werden, maar dat ook binnen het seminarie jonge docenten en studenten al in het begin van de jaren vijftig aan een vernieuwing van doctrine en organisatie werkten. Onderricht in de psychologie maakte geen deel uit van de priesteropleiding van de priesters maar toch was de persoonlijke interesse in de psychologie groot en zijn in het zich ontwikkelende nieuwe referentiekader de nieuwe inzichten vanuit de psychologie te herkennen. Wat eerst was gedefinieerd in termen van moraal en zonde werd steeds meer gezien in termen van on- of onderbewustzijn en geestelijke gezondheid. Ook de omslag van 'zondemoraal' naar 'gewetens-moraal', waar herhaaldelijk door priesters over wordt gesproken, kan in die context worden gezien. De psychologie leerde dat mensen niet altijd bewust handelen maar dat vaak doen vanuit diepere, onbewuste motieven. Dat inzicht ondermijnde het zondebegrip en de zondemoraal. Iets was een zonde als het ook als bewuste keuze voor het verkeerde was begaan, maar met twijfel aan het bewuste karakter van het handelen van mensen verviel die voorwaarde voor de zondigheid. Zo is de ontwikkeling van het nieuwe referentiekader der gewetensmoraal niet los te zien van de nieuw verworven inzichten uit de psychologie. Uit hetgeen priesters vertellen blijkt dat de grote omslag in katholieke religiositeit, de ontkerkelijking, onder katholieken pas plaatsvond nadat intern een drang naar verandering op gang was gekomen. Veel priesters noemen de invloed van de dwingende huwelijksmoraal op de latere ontkerkelijking groot. ![]()
|
|||
|
|||