Geschiedenis van de Karmel
De karmelietessen zijn algemeen bekend als dochters van de H. Theresia en van Sint Jan van het Kruis. Misschien weet men minder over de banden die de Karmelorde verbinden met de eerste kluizenaars van de berg Karmel, die aan die de orde zijn naam hebben gegeven.
De kluizenaars van de berg Karmel
God had tegen Elias gezegd: "Vertrek van hier, richt je naar het oosten en verberg je in het dal van Kerit, tegenover de Jordaan. Uit de beek kun je drinken en aan de raven heb Ik bevolen, je daar van voedsel te voorzien". Vanaf de berg Karmel, wees Elias op dat wolkje dat uit de zee opsteeg en dat een symbool was van de allerheiligste Maagd Maria. Dit gebeurde lang voor de komst van Onze Heer Jezus Christus en lang voor de orde van de Karmel zijn aanvang nam. Door het relaas van de reizigers weten wij, dat er aan het eind van de 12de
Een engel doorboort het hart van de H. Theresia met de brandende pijl van de goddelijke Liefde.
eeuw, een monnik die uit Italië gekomen was en die een visioen van de heilige Elias gekregen had vergezeld van enkele broeders, nabij de grot van de profeet leefde. Deze eremieten hadden een toren en een kapel gebouwd die toegewijd was aan O.L.Vrouw. In navolging van de profeet Elias die hen er eeuwen tevoren was voorgegaan met zijn leerlingen, zochten zij in deze eenzaamheid de vertrouwelijkheid met God, "terwijl zij zich met zijn genade inspanden om Hem een zuiver hart aan te bieden en reeds een voorsmaak van het leven van de gelukzaligen ontvingen".
Tussen de jaren 1206 en 1214 zien de kluizenaars zich genoodzaakt aan de H. Albertus, patriarch van Jeruzalem, een leefregel te vragen. Ze willen van de paus een officiële erkenning verkrijgen. Eenzaamheid, stilte, voortdurend gebed en handenarbeid, naleving van de drie religieuze geloften zijn de overheersende trekken van de Leefregel die hun wordt voorgesteld. De heilige broeder Brocardus wordt de eerste prior van de kleine communiteit.
Het leven, geleid "bij de fontein van Elias, op de berg Karmel" is zuiver contemplatief en toch wordt ook de predikatie niet geheel uitgesloten: "Zij daalden soms af om rijkelijk te verspreiden in de prediking wat zij in de eenzaamheid met de sikkel van de beschouwing hadden geoogst", schrijft de zalige Nicolaas de Fransman.
Benadrukt moet worden dat die kluizenaars in feite voor het merendeel westerlingen zijn. Ze komen in de tijd van de kruistochten, om het Palestijnse land te veroveren. Later voegen zich bij deze veroveraars pelgrims en handelaren. Om de roep van God te beantwoorden vestigen zij zich in het Heilige Land. Koningen en prinsen steken de Middellandse Zee over om het leven van de kluizenaars te leren kennen. Gesticht door hun deugden nodigen ze de karmelieten al snel uit om zich in hun landen te vestigen. Een van de eerste migraties is die van Pierre de Corbie die in 1235 met een metgezel een eerste stichting doet in Valenciennes. Op aandringen van hun landgenoten gaan in 1241 de Engelse broeders terug naar hun vaderland en installeren zich in Hulne en Aylesford. In 1254 neemt de heilige koning Lodewijk zes karmelieten mee naar Parijs.
Het mohammedaanse gevaar zal deze beweging naar het westen nog versterken: eerst wordt alleen aan de vrijwilligers toestemming gegeven om te vertrekken en om zich elders te vestigen. Dat is het begin van de communiteiten van Cyprus, Sicilië, de Provence. Daarna zijn het niet enkel de vrijwilligers die de karmel verlaten maar worden door de mohammedaanse overheid allen gedwongen om uit Palestina te vertrekken. Dit betekent het einde van de primitieve kern van de berg Karmel. In 1291 vermoorden de mohammedanen de laatste bewoners van de plaatsen.
Toch is dat niet het einde van de orde want naar het beeld van Willem de Sanvic, "bloeit deze boom door zijn bladeren uit te spreiden en zijn bloemen worden tot overvloedige vruchten van de verspreiding van het katholieke geloof".
De karmelieten in het Westen
De stichting van de orde in het Westen zal niet zonder moeite plaatsvinden. Als paddestoelen schieten de verschillende ordes in die tijd uit de grond. Het concilie van Lateranen verbiedt daarom met ingang van 1215 elke nieuwe stichting. Gelukkig dateren de erkenning en de Regel van de heilige Albertus van 1214 en hebben de karmelieten dus een wettig bestaan; maar de plaatselijke autoriteiten hebben dikwijls moeite om de nieuw aangekomen monniken te accepteren.
De innerlijke aanpassing is het werk van de heilige Simon Stock, een Engelsman die in 1244 de berg Karmel verlaten heeft. Gedurende twintig jaar is hij algemeen prior van de orde. Hij neemt het initiatief en vraagt aan paus Innocentius IV de aanpassing van de Regel. De nieuwe levensomstandigheden maken deze aanpassing noodzakelijk. Hoewel de karmelieten contemplatieven blijven zullen zij voortaan in steden wonen en leven zij meer in communiteit. Ze richten overal kloosters op die zich zeer snel vermeerderen. De religieuzen leggen zich toe op de prediking en het apostolaat. Maar voor deze taak is een opleiding nodig die eist dat de monniken studies gaan volgen. Simon Stock vestigt om deze reden huizen in de universiteitssteden Oxford en Cambridge. Na meer dan twintig jaar onvermoeid werken telt de orde negen provincies. Meer nog dan door deze werkzaamheden is de heilige Simon Stock echter bekend omdat hij degene is geweest aan wie de allerheiligste Maagd Maria haar heel bijzondere bescherming beloofde voor de karmelorde. Zij heeft hem het Schapulier opgelegd.
Ook met de aanpassing van de orde aan de nieuwe leefomstandigheden, met de meer op het apostolaat gerichte leefwijze van de monniken blijft het oorspronkelijke doel toch altijd onveranderd. Nicolaas de Fransman, opvolger van Simon Stock, zal toch moeten optreden tegen krachten binnen de orde die van mening zijn dat men het primitieve ideaal achterwege heeft gelaten. Er is een sterke tendens om het
Cel van de H. Theresia van Avila
afgezonderde leven te verdedigen. In 1274 wordt de karmelorde officieel als "gemengde" orde gekwalificeerd: in haar komen contemplatief en actief leven samen. Altijd zal het leven van de karmelieten blijven schommelen tussen deze twee polen, meer naar de ene of naar de andere al naar gelang de tijdperken. Al snel schenkt de orde grote apostelen, zoals de H. Albertus van Sicilië, de H. Petrus Thomas, de H. Andreas Corsini, en heilige kluizenaars aan de Kerk.
Door de zwarte pest, het grote schisma, de honderdjarige oorlog wordt de 15de eeuw een eeuw van beproeving voor het kloosterleven in het algemeen. Interne malaise brengen bovendien enorme schade toe aan de vurigheid en aan de observantie in de karmelkloosters. De overste ziet zich genoodzaakt om aan paus Eugenius IV in 1432 verzachting van de regel te vragen. Zo zal het vasten niet meer even streng gehandhaafd moeten worden en mag voortaan de monnik, die voorheen altijd in zijn cel moest blijven zich ook vrij in het klooster bewegen.
Deze verzachting die sterk wortel gaat schieten in Spanje, zal verschillende hervormingsbewegingen veroorzaken, met name in Frankrijk en in Italië. Maar God had een dieper en definitiever werk op het oog, waarover we nu moeten spreken.
De Theresiaanse hervorming
Het voorafgaande was nodig om het verhaal van de H. Theresia van Avila te begrijpen: terugkeer van het leven van de eerste paters, en het kader waarvan zij heeft moeten uitgaan: de verzachting. We moeten het begin van de vrouwenkloosters nog enigszins uitleggen; er waren zeker geen karmelietessen in het Oosten en deze zijn voortgekomen uit communiteiten van vrouwen die, half in de wereld en half religieuzen, zich soms verbonden aan kloosters van karmelieten om geestelijke leiding te krijgen. In 1451 moesten deze groepen een reeds goedgekeurde regel kiezen en zich bij een reeds bestaande orde aansluiten. Enkele groepen uit de omgeving van Düsseldorf kozen voor aansluiting bij de karmelieten. Jean Soreth, toen overste van de orde, vroeg en verkreeg de toestemming om een tweede (vrouwelijke) en een derde (leken) orde te stichten. De leefregel werd vastgesteld; het ideaal is de afzondering en de beschouwing; er zijn slotzusters en buitenzusters. Ieder huis is ondergeschikt aan de provinciaal en aan de algemene prior, maar verder onafhankelijk en bestuurd door een gekozen priorin. Talrijke huizen volgen dit voorbeeld. Wat wij tegenwoordig Duitsland, België en Italië noemen zijn de bakermatten van de eerste "karmels", evenals Frankrijk (vooral Vannes en Nantes met het klooster dat gesticht werd door Françoise d'Amboise) en Spanje.
Met deze laatste landen gaan wij ons een beetje bezighouden, speciaal met Castilïe, waar een communiteit van vrouwen onder het gezag van de karmelieten van Avila geplaatst was. Dit klooster met de naam ‘de Menswording' werd weldra een karmel van meer dan 140 zusters. Daar was Theresia de Ahumada, telg van een oude Castiliaanse familie op 2 november 1526 ingetreden. Zij was toen 20 jaar. Als kind droomde zij van het martelaarschap. Als jong meisje werd zij een ogenblik aangetrokken door de wereld. Maar al snel werd zij getroffen door de ijdelheid van alles wat er gebeurt en begon zij werkelijk smaak te krijgen in de goddelijke zaken. Daarbij werd zij geholpen door lectuur en gesprekken.
"Ik had nog niet dat vuur van de goddelijke liefde, dat het gebed later ontstak in mijn ziel. Het was nog slechts een bepaald licht, dat me wees op de ijdelheid van alles wat er gebeurt en me de onschatbare waarde van de eeuwige goederen onthulde". (Leven V)
Beproefd door een lange en zware ziekte, verdraagt de jonge zuster haar kwalen geduldig. In het gebed leert zij God kennen en de liefde in haar hart groeit. Maar het leven dat in de Menswording geleid wordt is niet het meest gunstige voor de religieuze volmaaktheid. Door de afwezigheid van het slot, leiden de bezoeken, de uitstapjes en de gesprekken de zusters af van Hem die hun enige zorg zou moeten zijn. Door het grote aantal zusters is het moeilijk de afzondering te houden; tenslotte, naast zielen die werkelijk naar de heiligheid verlangen hebben anderen deze levensstaat omhelsd zonder echte roeping en remmen het elan van hun medezusters af.
Theresia, van haar ziekte hersteld door de tussenkomst van de heilige Jozef, ondergaat een tijd de aantrekkingskracht van de spreekkamers en van de conversaties met de buitenwereld. Maar tegelijkertijd voelt zij zich verward door de ijdelheden. Zij houdt het verlangen naar de genaden en de verheven gunsten die God haar reeds had verleend
Het karmelklooster Alba de Tormes, waar de H. Theresia in 1582 stierf.
in het gebed, maar komt er toch toe het gebed achterwege te laten. Haar biechtvader beveelt haar, het weer op te nemen, maar zij brengt nog enkele jaren door in grote inwendige strijd. "Ik vond een groot genot in de zaken van God, maar de banden van de wereld hielden me nog gevangen. Het schijnt dat ik deze twee tegenstrijdige zaken, die zo vijandig tegenover elkaar stonden, wilde verenigen" (Leven VII).
Maar Onze Heer wachtte op deze ziel. Op een dag ziet zij een "Ecce Homo", dat tijdelijk in een kloostergang geplaatst is. Zij werpt zich aan de voeten van dat beeld neer en smeekt Onze Heer om haar de genade te geven, Hem niet meer te beledigen. Van toen af waren haar vorderingen voelbaar. Dat was in 1555.
"De vier jaren die volgden op de totale bekering van de H. Theresia tot het volmaakte leven zijn van kapitaal belang in haar geschiedenis. Vreugden en smarten bereiken dan een buitengewone intensiteit en God zuivert zijn uitverkorene en bereidt haar voor op haar zending van hervormster van de Karmel" (De roeping van de Karmel).
Visioenen, extases, vervolgingen en innerlijke smarten volgen elkaar op tot aan de grote genade van de lanssteek, in 1560, waarbij haart hart de fysieke en geestelijke verwonding van de goddelijke liefde ontvangt. In datzelfde jaar heeft zij ook een visioen van de hel, en verlangend om zoveel mogelijk zielen aan de hel te ontrukken, verbindt zij zich in de eerste plaats om haar regel zo volmaakt mogelijk te beleven.
Weldra begint zij met enkele medezusters een leven uit te denken dat meer overeen komt met dat van de eerste bewoners van de berg Karmel. Dan geeft Onze Heer zelf haar de opdracht te werken aan de stichting van het eerste hervormde klooster.
We kunnen hier onmogelijk alle moeilijkheden opnoemen waaraan de H. Theresia het hoofd moest bieden. Er begint voor haar een zeer bewogen leven, grotendeels doorgebracht op de wegen van Spanje, van de ene stad naar de andere, omdat "Gods dolende edelvrouw", naar de aardige uitdrukking van Marcelle Auclair, 16 vrouwenkloosters gaat stichten, waarvan het klooster Sint Jozef van Avila, op 24 augustus 1562 geopend, slechts het eerste is.
Haar komt ook het initiatief toe van de gelijklopende hervorming van de karmelieten, die de H. Johannes van het Kruis hartstochtelijk zal nastreven. Onophoudelijke ziekten, vermoeienissen en ongemakken van de reizen, ruzies met sommige mensen, kwade wil van andere en allerlei vernederingen vormen geen obstakel voor de ijver van onze Moeder.
Haar geschriften zijn allemaal even belangrijk: zij heeft zo goed de geestelijke wegen waarlangs God de zielen tot Zich leidt, kunnen beschrijven!
Uitgeput door die reizen, en vooral verteerd door de liefde, na van Onze Heer de titel "ware bruid" (1572) ontvangen te hebben, zag de Moeder eindelijk het ogenblik aanbreken waarnaar zij zozeer verlangde, "Ik sterf van niet te sterven", en gaf de geest in een extase, op 4 oktober 1582.
De volgende dag moest, ten gevolge van de kalenderhervorming, de 15de oktober zijn, de dag die tegenwoordig aan haar feest gewijd is. De H. Theresia werd in 1622 heilig verklaard.
Vergeleken met de kloosters met de verzachte regel werden de kloosters van de karmelietessen, gesticht door de H. Theresia gekenmerkt door een absolute afscheiding van de wereld. Een leven van afzondering binnen de kloosters (waarin niet meer dan 21 zusters konden wonen), een ideaal van grote armoede, een strengere boete.
De vestiging van de hervormde Karmel in Frankrijk
Haar wensen werden al snel verhoord door God. Hij bracht alle mensen die Hij voor de verwezenlijking van zijn plannen had uitgekozen in het begin van de 16de eeuw bijeen.
Het was immers de tijd van de Contra Reformatie in Frankrijk, en kleine groepen werkten dapper aan de geestelijke vernieuwing van het koninkrijk van Henri IV.
In Parijs was de salon van madame Acarie de verzamelplaats van talrijke personen die de katholieke zaak zeer toegedaan waren. Madame Acarie was de echtgenote van Pierre Acarie, bekend om zijn deelname aan de Liga en om zijn hardnekkige oppositie tegen de koning. Madame Acarie was erin geslaagd de moeilijkheden die door dit feit ontstaan waren te bedaren, en zij hield zich bezig met jonge meisjes die verlangden naar het religieuze leven. Ook ontving zij thuis geestelijken en leken die zich inspanden om te strijden tegen het kwaad van de ketterij, en om de eer van God te vergroten. Onder hen waren: de priester Gallemant, Dom Beaucousin (kartuizer), theologen van de Sorbonne, de advocaat Gautier, mr. de Marillac en tenslotte de jonge priester Pierre de Bérulle.
In dezelfde tijd kreeg een zekere monsieur de Brétigny, van moederszijde Normandiër, maar via zijn vader verwant aan de edelen van Spanje, tijdens een zakenreis kennis van het werk dat in Spanje was begonnen. Hij kwam in Frankrijk terug, vervuld van een intens verlangen om de hervorming te verbreiden. Toen al deze personen hun
Voorwoord van de autobiografie van Maria Teresa Tauscher, in origineel handschrift
gemeenschappelijke interesses hadden ingezien, werden er in Parijs vergaderingen gehouden, in tegenwoordigheid van de H. Franciscus van Sales. Er waren veel aspiranten, maar men dacht met reden dat alleen dochters van "de Moeder" hun de ware geest van de Karmel zouden kunnen geven. Dankzij de steun van de gravin van Longueville verkreeg men de toestemmingen van de Heilige Vader en van de koning om de Spaanse karmelietessen te laten komen. Het grootste probleem vormde de politieke situatie (periode van de Liga). Deze toestand maakte het onmogelijk, toestemming te vragen om op dit ogenblik in Frankrijk karmelkloosters te stichten. De Spaanse karmelietessen moesten dus accepteren, de religieuzen te laten vertrekken zonder dat zij zelf huizen van de orde hadden gesticht. Ook moesten zij tenminste voorlopig afstand doen van hun bestuurs- en jurisdictiemacht.
Paus Gregorius VIII had erin toegestemd de Franse karmelietessen onder de jurisdictie van drie leden van het Oratorium (Gallemant, A. Duval en de Bérulle) te plaatsen. En zo vertrok een klein gezelschap, samengesteld uit de heren Brétigny, Gautier, twee dienaars en drie vrouwen, om de mères te helpen tijdens hun reis, op 26 september 1603 uit Parijs. "Zij gingen dus de karmelietessen van de H. Theresia halen".
Dat was het begin van een groot avontuur. Incognito vertrokken uit de hoofdstad, moest het gezelschap in Nantes wachten tot 10 november eer de wind gunstig was om te varen, want zij moesten over de zee naar Bilbao gaan.
Tijdens deze wachttijd werd één van de dienaars getroffen door de pest die toen heerste in Nantes. Nadat hij wonderbaarlijk genezen was kon hij de reis voortzetten. De heer Gautier moest voor zaken naar Parijs terugkeren. Zijn metgezellen konden op 10 november eindelijk in Pouliguen aan boord gaan. Op ongeveer 17 mijl buiten de haven brak er een storm los zoals men die sinds 25 jaar niet gezien had. De uitgeputte matrozen slaagden erin het roer vast te binden. Zij lieten het vaartuig over aan de golven. De orkaan duurde drie dagen en drie nachten, daarna kwam de zee tot rust... tot de aankomst op de kusten van Spanje. Hier volgde nieuwe aanval van de golven. Deze keer besloot men in de meest nabij gelegen haven, Aredo, van boord te gaan. Het was 20 november; het dorp lag in een bergachtige streek. Om niet opgehouden te worden door de sneeuw die de verbindingen onmogelijk zou maken, moesten de arme Fransen ogenblikkelijk weer vertrekken om Burgos te kunnen bereiken. Daar moesten hun zaken afgehandeld worden. Een ander soort moeilijkheden wachtte hun. Een reis van 30 mijl op de rug van een muilezel, zonder zadel of stijgbeugel, op bergwegen, dus heel smal en met afgronden ernaast. Voeg daarbij de sneeuw, de onervarenheid, maaltijden en logies in de een of andere hut langs de weg.
Uiteindelijk liep deze zwerftocht met duizend wederwaardigheden, God zij dank, goed af en werden zij schitterend ontvangen in Burgos. Na enige rust moesten ze naar Valladolid gaan. Door het dagelijks ontvangen van de H. Communie hield het kleine gezelschap zich in alle omstandigheden, temidden van de grootste gevaren, in een bewonderenswaardige stemming van meditatie en overgave aan de Wil van God. Politieke en religieuze obstakels deden zich voor. Bovendien wilde de overste van de karmelieten niets horen van de plannen. Daarom werd de hulp van de eerwaarde heer de Bérulle ingeroepen. Eindelijk kregen de Fransen gedaan dat zij de karmelietessen konden meenemen en zelfs uitkiezen, die de basis zouden vormen van de orde in Frankrijk. Deze religieuzen, vol ijver bij de gedachte, dit werk voor de eer van God te ondernemen, verdienen genoemd te worden.
Het waren:
De eerbiedwaardige Anna van Jezus (Salamanca)
De gelukzalige Anna van de H. Bartholomeus (St. Jozef van Avila)
De eerwaarde moeder Isabella van de Engelen (subpriorin in Salamanca)
De eerwaarde moeder Beatrijs van de Ontvangenis (Salamanca)
De eerwaarde moeder Isabella van de H. Paulus (Burgos)
De eerwaarde zuster Eleonore van de H. Bernardus (oorspronkelijk uit Luik)
De twee eerste hadden zeer nauw meegewerkt met de H. Theresia van Avila bij haar stichtingen.
De terugreis werd georganiseerd: de voertuigen verlieten Avila op 25 augustus. De lange karavaan (18 personen en 22 muilezels) veroorzaakte vreugde en devotie als zij voorbijkwam, vooral in Spanje. Maar evenals op de heenreis kreeg men te maken met allerlei wederwaardigheden: ziekten en koortsen, verschillende incidenten, bevoorradingsmoeilijkheden, slechte wegen. God beproefde deze sterke zielen overigens niet zonder hun Arts, hun Redder en hun Trooster te worden.
Op 15 oktober 1604 kwam de groep eindelijk in Parijs aan en de Spaanse Moeders werden op 17 oktober binnengeleid in het klooster dat voor hen was gereed gemaakt in de rue Saint-Jacques. De eerste Franse personen waren mejuffrouw d'Hanivel (zuster Maria van de Drie-eenheid), mevrouw Jourdan (weduwe die de reis uit Spanje had meegemaakt: zuster Louise van Jezus) en Andrée Levoix, kamermeisje van madame Ascarie (zuster Andrea van Alle Heiligen). Op 1 november ingetreden, ontvingen zij vervolgens mejuffrouw de Fonteine die onder de naam Maria-Magdalena van Sint Jozef een van de beroemdheden van de Franse Karmel zou worden. De andere postulanten stroomden al snel toe en al gaven de verschillen van temperament en van taal soms enkele problemen, de vrome toewijding en de liefde vormden het cement dat de novicen en hun moeders verenigde.
Op 16 januari 1605 had de oprichting plaats van het tweede klooster in Pontoise. De eerwaarde moeder Anna van Sint Bartholomeus werd er de priorin van.
Van toen af volgden de stichtingen elkaar op en iedere karmel wil zich graag in deze lange chronologie plaatsen. Daarom kunnen wij ter afsluiting snel "de stamboom" van de karmel van Quiévrain oprichten.
De zesde stichting, door Moeder Isabella van de Engelen (Spaanse), had al op 7 oktober 1610 plaats in Bordeaux, dezelfde religieuze bracht de vestiging van de hervorming in Toulouse tot stand (elfde stichting) op 7 juni 1616, vervolgens op 12 oktober 1618, in Limoges. De Moeder van Limoges opende op 7 maart 1654 de 60ste stichting in Angoulème. De karmelietessen van Angoulème moesten in 1901 naar Enghien in België vluchten, en vestigden zich vervolgens in 1925 in Tourcoing (in het noorden). De priorin was toen Moeder Marie-Antoinette van Jezus. In 1949 ging de karmel van Tourcoing, op uitnodiging van mgr. Fox - met meubelen en al - naar het verre Australië, waar in 1954 het derde eeuwfeest gevierd werd. Vanuit dit werelddeel zouden onze twee Moeders terugkomen om in 1978 het karmelklooster van het Heilig Hart te Quiévrain te stichten. Dit is dus in directe afstamming met de kloosters van de grote hervormster van Avila.
Maria Teresa Tauscher
De eerste derde orde die in het leven is geroepen is die van de heilige Franciscus. Hij geeft aan de leken de mogelijkheid om het ideaal van de orde in de wereld te verwezenlijken. Zeker is de regel van de derde orde minder streng dan die in de kloosters. Maar toch willen deze leken alles doen om zich zo dicht mogelijk bij het leven van de eerste (karmelieten) en de tweede orde (karmelietessen) aan te sluiten. Het ideaal van de eenzaamheid trekt, net als het ideaal van de armoede, altijd vele gelovigen.
Het Graf van Maria Teresa Tauscher
Enkelingen en ook gemeenschappen vestigen zich zo nabij de karmelkloosters. In de wereld levend, willen zij zo goed mogelijk een contemplatief leven leiden. Snel ontwikkelt zich hieruit de derde orde van de Karmel. Johannes Soreth is het die als generaal van de orde de eerste derde orde organiseert en paus Nicolaas V geeft in1452 de volmacht aan de karmelieten om vrouwen (maagden en weduwen) in de orde op te nemen. Deze vrouwen verplichten zich de volmaakte kuisheid te beoefenen.
Mettertijd ontstaan gemeenschappen van vrouwen die volgens de regel van de derde orde leven en die zich bij het gebed ook toeleggen op een caritatief werk. (onderwijs, opvang voor meisjes, ziekenverzorging...) De oudste van deze groepen ontstaat in het jaar 1703 in Avranche (Normandië). Sindsdien groeit het aantal congregaties die bij de Karmel zijn aangesloten steeds verder. Vooral in de 19de eeuw kent deze ontwikkeling een grote bloei. De karmelietessen van het goddelijk Hart van Jezus ontstaan in 1891. Aan het begin staat een opvang voor kinderen in Berlijn. Maria Teresa Tauscher is niet de eerste die vrouwen rond zich verzamelt. Samen met haar zusters wil zij leven volgens het ideaal van de Karmel en zich tegelijkertijd toeleggen op het beoefenen van de daadwerkelijke naastenliefde. Ze heeft contact met verschillende karmelkloosters en wint inlichtingen in over het leven, de dagorde, het officie... Van de derde orde van de karmelietessen van Linz (Oostenrijk) krijgt zij de regel van de derde orde. Van de karmelietessen van Wilten bij Innsbruck die van de tweede orde van de Karmel en de Constituties van de heilige Theresa van Avila. Ze beslist, met toestemming van de Pater Generaal van de Orde, te leven volgens de oorspronkelijke regel van de Heilige Albertus en de Constituties van de Heilige Theresa van Avila en deze aan te passen aan het apostolaat voor de kinderen en de huisbezoeken. Volgens de stichteres moeten de zusters in plaats van het vasten haar werk voor de kinderen opdragen en in plaats van het slot de pijnen van de huisbezoeken. In 1904 wordt de congregatie bij de orde van de ongeschoeide karmelieten aangesloten.
Heden ten dage zijn er 56 congregaties aangesloten wij de orde van de Karmel. De karmelietessen van het Goddelijk Hart van Jezus maken deel uit van deze congregaties. Ze zijn snel gegroeid! Ruim honderd jaar na de oprichting heeft de congregatie vestigingen in 19 verschillende landen binnen en buiten Europa en zijn er meer dan 500 zusters actief.
|