- Verschijningen van Maria, dat kan niet?!
Verschijningen van de Moeder Gods - zoiets kan men een verlicht mens toch niet ernstig voorschotelen?
Het is nauwelijks mogelijk, de fenomenen van de verschijningen van Maria al te theoretisch of langs de weg van leerstellige definities te benaderen. Er zijn plaatsen die door een verschijning van Maria bekend zijn geworden, waar bedevaarten en godsdienstige ceremonies ontstonden, die een traditie van tientallen jaren en een eigen gewicht verkregen hebben. Wanneer er op dergelijke plaatsen niets gebeurt, wat in tegenspraak is met het geloof en de kerkelijke praktijk, ziet de Kerk geen reden, hier een bijzondere verering van Maria te verbieden. Toch legt zij niemand op, in verschijningen van Maria te geloven.
Men zou daarmee tot de orde van de dag kunnen overgaan, temeer omdat de Kerk immers van oudsher van mening is, dat de Openbaring, d.w.z. iedere vorm van de bovennatuurlijke mededeling van God, met de Blijde Boodschap door Jezus Christus is afgesloten. Dus waarom moet men zich dan met vermeende verschijningen van de Moeder Gods of van andere heiligen bezighouden? Zelfs de Kerk hecht naar het schijnt geen al te hoge waarde aan deze gebeurtenissen, waarbij zogenaamde zieners (normale mensen of misschien toch psychologische outsiders met mediamieke gaven?) op een bovennatuurlijke (maar mogelijk ook natuurlijk verklaarbaar?) fenomeen stuiten en zoveel gelovigen (of zelfs die op wonderen beluste mensen en godsdienstfanatici, die overal te vinden zijn?) aantrokken, dat daaruit een godsdienstig cultgedoe ontstond.
De moeilijkheid - wanneer men dan het thema Mariaverschijning liever bij de godsdienstige eigenaardigheden wil rekenen - bestaat echter niet zozeer in theologische overwegingen of in de ervaringen, die de psychologie met godsdienstige ervaringen heeft opgedaan, maar in de verschijningen zelf. Ze hebben niet erg lang geleden plaats gehad (bijv. La Salette 1846 - Lourdes 1858 - Fatima 1917), zijn uitstekend gedocumenteerd en moeten zelfs de verstokte agnosticus te denken geven - als hij zich er maar mee zou inlaten.
Beschouwen we als voorbeeld de verschijning van Maria in Lourdes wat nader: daar hebben de plaatselijke instanties vanaf het begin de gebeurtenissen rond de veertienjarige molenaarsdochter Bernadette Soubirous tot in het detail vastgelegd. Haar ontbrak iedere vorming, zij kon lezen noch schrijven, kende slechts enkele stukjes Frans en drukte zich verder in het plaatselijke dialect uit. Alles was rond het middaguur van de 11de februari 1858 begonnen, toen zij samen met haar zusje Toniette en haar vriendinnetje Jeanne Holz hout ging sprokkelen. Daarbij moesten zij een stroomversnelling van de Gave oversteken. "Toen ik mijn kousen uittrok om door het water te waden", bericht Bernadette in een eerste verhoor door de rijksgevolmachtigde Dutour, die de rechtsmacht in dat dorpje nabij de Spaanse grens uitoefende, "hoorde ik een geruis als bij een windvlaag en richtte mijn ogen op naar de grot. Daar heb ik dan aquerò gezien".
Het woordje aquerò staat in het plaatselijke dialect voor "dat ding". Met deze woorden gaf Bernadette al dagenlang aan, wat zij daar gezien had. Sinds de eerste verschijning probeerden allen Bernadette ervan te overtuigen, dat aquerò de Maagd Maria was. "Bernadette, je hebt dus de heilige Maagd gezien", had commissaris Jacomet haar al bij het verhoor van 21 februari gezegd. "Ik zeg niet, dat ik de heilige Maagd gezien heb", antwoordde zij. Over het verhoor stelde gevolmachtigde Dutour een nauwkeurig bericht samen.
Bernadette had zich op die dag bij de grot eigenaardig gedragen. Ze had tussen de stenen van de grot gegraven en meermalen klei naar haar lippen gebracht. "Je hebt gras gegeten, als de dieren!", houdt de gevolmachtigde haar voor. Bernadette antwoordt slechts: "Denkt u, wat u wilt: het interesseert me niet. Alles wat ik gedaan heb, heb ik gedaan, omdat aquerò het zo wilde". Dat ding had Bernadette gevraagd, "van het water uit de bron te drinken en zich ermee te wassen". Het meisje was daarop in de richting van de stroom gegaan, maar aquerò had haar aangespoord, "onder de rots" te gaan. "Ik vond daar", zo vertelt ze, "een beetje water in de modder. Het was zo weinig, dat ik het nauwelijks met mijn hand kon opscheppen. Drie keer heb ik het weggegooid omdat het zo modderig was. Bij de vierde keer gelukte het me, ervan te drinken".
Uit de plas ontstond die bron, die tot op vandaag vloeit en die vanwege haar geneeskracht jaar na jaar grote stromen pelgrims aantrekt. "Dat ding", dat zich tenslotte op 24 maart als de "Onbevlekt Ontvangene" (Paus Pius IX had het dogma van de Ontvangenis van Maria "zonder iedere bevlekking door de zonde" pas vier jaar tevoren, op 8 december 1854, verkondigd) te kennen gaf, verscheen tot 16 juli 1858 aan de zieneres. Bernadette stierf op 16 april 1879 in de ouderdom van 35 jaar en werd in 1933 door de Kerk heilig verklaard. Zij was als eenvoudig en natuurlijk meisje opgegroeid, niets had erop geduid, dat de molenaarsdochter voor de verschijningen bijzondere of buitengewone gaven had meegekregen. Het heilige toonde zich onverwacht aan haar in het gewone dagelijks leven van een normaal kind.
"Zieneres", "heilige": dat zijn uitdrukkingen, die een enigszins verheven, aan de werkelijkheid ontheven - en daardoor niet meer helemaal geloofwaardig - mens doet vermoeden. Zieners spoken in de literatuur rond als fantastische figuren, die misschien op Shakespeare-podia, maar niet in het normale leven passen. Heel anders ligt het geval bij Bernadette Soubirous. "Ziener" betekent hier alleen maar, dat zij met haar zintuigen iets reëel en concreet kon waarnemen, wat voor de meeste mensen verborgen blijft. De joodse schrijver Franz Werfel, op zijn vlucht voor de nazi's in het jaar 1940 in Lourdes terechtgekomen, heeft daar de geschiedenis van de verschijningen van Maria bij die grote leren kennen en geraakte in de ban ervan. Deze gebeurtenissen, schreef hij, "spelen in het helderste licht van de geschiedenis, en hun waarheid is door vriend en vijand en door nuchtere waarnemers in getrouwe getuigenissen bekrachtigd." Na zijn vlucht schreef Werfel een roman over de zieneres: ‘Het lied van Bernadette". Het boek werd een wereldsucces. De schrijver gaf het uit als dank voor de redding uit de handen van zijn achtervolgers en vanwege een gelofte: sinds hij verzen schreef had hij gezworen, met zijn geschriften altijd en overal "het goddelijk geheim en de menselijke heiligheid" te verheerlijken - "ongeacht het tijdperk, dat zich met spot, verbittering en onverschilligheid afkeert van deze laatste waarden van ons leven".
Men schat dat er tot nu toe minstens tweeënhalf miljoen zieken een bedevaart naar Lourdes hebben gemaakt. En steeds weer gebeurden hier genezingen, die het strenge Bureau Médical in de plaats als volledig onverklaarbaar beoordeelt. 3500 genezingen heeft de Kerk tot nu toe als wonder erkent - waarbij iedere keer een omvangrijke procedure doorlopen moet worden, tot twee verschillende commissies, één in Lourdes en een andere in Rome, tot de zekerheid komen, dat iedere natuurlijke verklaring voor de genezing uitgesloten moet worden.
Aan de andere kant heeft de rigoureuze houding van de Kerk tegenover iedere vorm van Mariaverschijningen ertoe geleid, dat alleen in de voorbije vijftig jaren 210 van dergelijke verschijningen officieel door de Kerk onderzocht zijn, dan echter niet bevestigd werden. Augustinus heeft zich al zeer terughoudend geuit tegenover visioenen, en de grote theoloog van de middeleeuwen, Thomas van Aquino, was over profetieën en andere mystieke genadegaven van mening, dat zij weliswaar het zedelijk en godsdienstig leven van de gelovigen konden aansporen, maar dat zij niets aan de Openbaring zouden toevoegen. Beide posities hebben de theologische discussie tot op heden op doorslaggevende wijze beïnvloed.
De lectuur van boeken en artikelen over het thema Mariaverschijningen kan soms zelfs de indruk wekken, dat de theologen en zelfs de kerkelijke autoriteiten blij zouden zijn, als er helemaal niet zulke verschijnselen zouden zijn - er zou daardoor geen afbreuk gedaan worden aan de kerkelijke geloofsleer. Maar dan staat men voor een geval als Lourdes - en houdt men zich aan het criterium van de H. Schrift "Aan haar vruchten zult u haar herkennen"(Matt. 7, 16), dan moet men die theoloog gelijk geven, die Lourdes oordeelde: "De visioenen van Bernadette waren het begin van een hele reeks verwonderlijke gebeurtenissen, die zich tegelijk door verrassende spontaneïteit en zinvol samenvallen onderscheiden. Het is zeker een nauwelijks oplosbare opgave, alles, wat in Lourdes gebeurde en nog gebeurt, tot zuiver immanente paranormale kracht terug te brengen."
Maar als men nu eenmaal toegeeft, dat er in een plaats werkelijk iets bovennatuurlijks gebeurd is - zoals bijvoorbeeld een verschijning van de Moeder Gods Maria -, dan kan men in principe niet meer uitsluiten, dat er zich in andere tijden en op andere plaatsen iets dergelijks is gebeurd. En ook al is het moeilijk, in het concrete geval duidelijkheid te brengen, dan zal men moeten constateren: de Kerk is onderweg, met verschillende charisma's en genaderijke gebeurtenissen, waartoe ook de Mariaverschijningen gerekend kunnen worden.
|