- Zijn de evangelies betrouwbaar?
Kan men de Evangelies als authentieke bronnen ernstig nemen? Zijn zij niet veel te laat geschreven? Hebben de evangelisten niet van elkaar overgeschreven?
Een "viervoudig Evangelie" - zo heeft bisschop Ireneus van Lyon de verhalen van het Nieuwe Testament over het leven van Jezus Christus genoemd. Als auteurs telde hij Matheus, Markus, Lukas en Johannes op. En hij was zó zeker van de echtheid van hun getuigenissen, dat hij in zijn geschrift "Adversus haereses" over de vier evangelisten schreef: "Niet door anderen hebben wij de ordening van ons heil leren kennen dan door degenen, door wie het Evangelie tot ons is gekomen. Wat zij evenwel toen mondeling verkondigd hebben, dat hebben zij later volgens Gods wil in geschriften aan ons overgeleverd als toekomstige basis en zuil van ons geloof."
Ireneus schreef deze zinnen op, toen hij pas bisschop van Lyon geworden was: in het jaar 177 of 178 na Christus. Hij stamde uit Klein-Azië en was daar een leerling van de H. Polycarpus geweest, de leider van de gemeente van Smyrna, die weer als jongeman uit de mond van de apostel Johannes over de heilsdaden van Jezus vernomen had. In een brief aan een in het geloof twijfelende vriend, de Romeinse priester Florianus, herinnert Ireneus eraan, hoe zij beiden in hun jeugd Polycarpus hoorden preken, hoe Polycarpus "over zijn omgang met Johannes en de overigen, die de Heer gezien hadden vertelde..., hoe hij over Jezus' wonderen en zijn leer preekte, als iemand die het van mensen, die het Woord des Levens met eigen ogen gezien hadden, vernomen had".
Mondelinge en schriftelijke overlevering waren in de tweede eeuw nog zó met elkaar verweven, dat mannen als Ireneus de echtheid van de Evangelies zelf konden verifiëren. Er zijn nog andere getuigenissen over de authenticiteit van de Evangelies, zoals dat van Papias of Clemens van Alexandrië. Ireneus is echter de eminente getuige, omdat hij zowel de overleveringstraditie van Klein-Azië als ook van Rome en van Gallië overzag. Zo kan hij in "Adversus haereses" duidelijk schrijven: "Mattheus heeft het geschrift van het Evangelie uitgegeven in de taal van de Hebreeën, toen Petrus en Paulus in Rome het Evangelie verkondigden en de Kerk vestigden. Na zijn exodus heeft Markus, de leerling en exegeet van Petrus, ook zelf hetgeen door Petrus verkondigd was schriftelijk aan ons overgeleverd. Ook Lukas, de metgezel van Paulus, heeft het door Paulus verkondigde Evangelie in een boek neergelegd. Daarna heeft Johannes, de discipel van de Heer, die aan de borst van Jezus rustte, ook zelf het Evangelie uitgegeven, toen hij in Efese in Azië verbleef."
Eerst in de 18de en 19de eeuw begon een door het rationalisme gevormde theologie, de oorsprong van het Nieuwe Testament als legendarisch te beschouwen. Omdat de Evangelies over wonderen en voorspellingen van Jezus berichten, die voor het rationalisme als overtreding van de natuurwet en daarom a-priori als onmogelijk golden, veronderstelde men, dat de Evangelies alleen in een tijd en in een milieu ontstaan konden zijn, waarin de getuigen van het leven van Jezus niet meer in leven waren en herinneringen aan de werkelijke daden en woorden van Jezus nog slechts gedeeltelijk voortleefden. Zo zouden de Evangelies minder de werkelijke Jezus in het oog gehad hebben dan veeleer een droombeeld van Christus op de manier van antieke cultus- en heilandvoorstellingen.
Om de vraag naar de historische echtheid van de Evangelies niet aan de willekeur van meer of minder met fantasie begaafde theologen over te laten, probeerden de Duitse geleerden Friedrich Dibelius en Rudolf Bultmann, het wordingsproces van de tekst van het Nieuwe Testament volgens letterkundige maatstaven te beoordelen. Voor hen en de daaropvolgende generatie van onderzoekers trad dus de ontstaansgeschiedenis van de Evangelies op de voorgrond. Iedere perikoop ging door de molen van de tekstkritiek, iedere zin werd in onderdelen ontleed. Terwijl men de in de Evangelie vermelde wonderen, verhalen, symbolen en gelijkenissen plaatste bij bepaalde tradities, geloofde men de oergemeenschap te begrijpen, waarin de Evangelies ontstaan waren. Maar hoe meer de interesse gold voor het boek als literair product, des te meer verdween de opmerkzaamheid voor de inhoud, dat wil zeggen voor de gebeurtenis die de Evangelies mededelen. De Menswording van God in de persoon van Jezus Christus geraakte tot bijkomstigheid, tot een literaire stof, die men kon omschrijven of opnieuw interpreteren.
Tegenover de slechts op vermoedens berustende theorieën van vele tekstcritici gaat het erom vast te houden, wat men naar alle waarschijnlijkheid over de Evangelies moet aannemen:
In de eerste jaren na de dood en de verrijzenis van Jezus was het opschrijven van zijn daden en woorden overbodig, want de apostelen putten uit hun eigen herinneringen. Antiochië, de eerste grote missiekerk met vooral Hellenistisch gevormde diasporajoden en bekeerde heidenen bezat echter al een verzameling van redevoeringen van Jezus, de zogenaamde logia1 verzameling, waarvan het opschrijven tot de apostel Mattheus kan teruggaan.
Nadat Petrus vanwege de vervolging van Herodes Agrippa in de jaren 41 tot 44 voor de eerste keer Jeruzalem verlaten had, werden daar de gebeurtenissen van het Avondmaal, van zijn passie en graflegging alsook de gebeurtenissen op Paasmorgen schriftelijk vastgelegd, zoals Petrus zelf ze tot dan toe voor de oergemeenschap had voorgedragen. Het zou daarbij om een tekst gegaan zijn, die in omvang en woordelijke inhoud overeenkomt met de hoofddelen van het Markus Evangelie van hoofdstuk 8, 27 tot hoofdstuk 16, 8. Voor deze geschreven tekst zorgde waarschijnlijk reeds Johannes Markus, wiens ouderlijk huis het trefpunt van de oergemeenschap was (zie Hand.).
Bijna tweehonderd jaar
hebben hele generaties van
bijbelonderzoekers
het dictaat van een
natuurwetenschappelijk
wereldbeeld verondersteld en de God van de H. Schrift naar het onvatbare,
onwereldse en mysterieuze verwezen.
Maar God met een
wereldbeeld tegemoet
treden is ongeveer zo,
als zou men vat krijgen op de geschiedenis van de
ontwikkeling van het
melkwegstelsel van ons heelal met de verkeersregeling.
In de tijd tussen de jaren 46 tot 48 keerde Markus naar Jeruzalem terug. Hij had zich van Paulus en Barnabas, die voor hun eerste missiereis naar Antiochië en Pisidië vertrokken waren, afgescheiden. Vervolgens ging Markus naar Rome, om Petrus te helpen. Als catechetisch helper ondersteunde hij Petrus en schreef naar alle waarschijnlijkheid hier het grootste deel van zijn Evangelie. Hij integreerde daarin het oudere Evangelie van de oergemeenschap. In ieder geval ontstond het Evangelie van Markus voor dat van Lukas (dat, zoals ook aan te tonen is, rond het jaar 60 opgetekend moet zijn), omdat er onweerlegbare argumenten voor aanwezig zijn, dat het Evangelie van Markus de arts Lukas ter beschikking stond bij het schrijven van zijn Evangelieverhaal.
Weliswaar hebben de schrijvers van de beide latere synoptische Evangelies, dat van Mattheus en dat van Lukas, de tekst van Markus benut, die als formulering van petrinische traditie in aanzien stond. Maar zij hebben tegelijk ook talrijke toegevoegde herinneringen en ervaringen uit de apostolische tijd verwerkt en delen van de oude logia verzameling van de missiekerk van Antiochië opgenomen. Het Mattheus-Evangelie is met grote zekerheid ontstaan in een gemeente, waarin gelovig geworden heidenen en joodse christenen samenleefden.
Over de schrijver van dit Evangelie zijn geen zekere informaties te geven; dat het de naam van de apostel en tollenaar Mattheus draagt, gaat terug op de oude kerkelijke traditie. De auteur van de definitieve versie van het Evangelie had met zekerheid naast de genoemde logia verzameling noch een extra bron als basis voor zijn werk beschikbaar, die feitelijk op Mattheus kan teruggaan. De in Matt. 24, 2 vermelde zin van Jezus bij de aanblik van de tempel in Jeruzalem: "Geen steen zal hier op de ander blijven", is voor vele exegeten een aanwijzing, dat de uiteindelijke opschriftstelling van het Mattheus-Evangelie pas na 70 na Chr., het jaar van de verwoesting van Jeruzalem, kan hebben plaats gehad, omdat de auteur Christus anders nooit zo'n profetie in de mond gelegd kon hebben.
Dat Christus echter de ondergang van Jeruzalem feitelijk voorzien heeft en de overeenkomstige voorspelling opgenomen werd in een vóór 70 na Chr. geschreven Evangelie, klinkt in de oren van moderne exegeten weer verdacht naar wonderverhaal. Toch moet het gelovige christenen niet verhinderen, ook een datering vóór 70 na Chr. aan te nemen. Omdat de rol van de apostel Petrus en diens gezag in het Mattheus-Evangelie sterk benadrukt worden, ligt het evenwel voor de hand, een opschriftstelling van het uiteindelijke Evangelie voor de tijd na het martelaarschap van Petrus in het jaar 65 aan te nemen.
Lukas, de arts, is de "broeder, die vanwege zijn verkondiging van het Evangelie in alle gemeenten erkenning vindt"(2 Kor. 8, 18). Hij ontmoet de lezer in Troas (??), vanwaar hij met Paulus naar Philipi gaat. Lukas begeleidt hem ook aan het einde van de derde missiereis en hoort tot degenen, die de collecte voor de Moederkerk van Jeruzalem overbrengen (vgl. 2 Kor. 8, 22). Omstreeks de jaren 61 tot 63 begeleidde de arts Paulus op zijn reis naar Rome, hij leed schipbreuk met hem. Hij was ook zijn metgezel gedurende de gevangenschap. En in Rome voltooide hij tijdens deze tweejarige hechtenis de Handelingen van de Apostelen, en wel kort voor de bevrijding van Paulus in het jaar 63. Want in zijn verhaal ontbrak niet alleen iedere verwijzing naar de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, maar ook de dood van de apostel van het volk. Paulus stierf onder de vervolging van Nero in het jaar 64. Als Lukas zijn Evangelie in de jaren daarna had geschreven, dan zou een verwijzing naar de marteldood van de apostel van het volk, die immers in het middelpunt van de Handelingen van de Apostelen staat, dringend te verwachten zijn. In de plaats daarvan eindigen de Handelingen van de Apostelen met de vrijlating van Paulus uit Romeinse hechtenis en met relatief welwillende woorden over de Romeinen, wat na de vervolging van Nero nauwelijks het geval zou zijn geweest. Verregaand onomstreden is, dat Lukas ook de auteur van het naar hem vernoemde Evangelie is en dit vóór de Handelingen van de Apostelen opgeschreven heeft, mogelijk tijdens zijn tijd in Troas, dat hij in het jaar 58 verliet.
De schrijver van het Johannes-Evangelie kent Markus en waarschijnlijk ook Lukas en veronderstelt hun overleveringsstof in zijn gemeente als bekend, doet evenwel een eigen theologisch concept tot uiting komen, dat door de Christusgedachtenis in het liturgische leven van de vroege Kerk (Paasviering, Eucharistie, Doopsel) gevormd is. Aanvullend verwerkt de vierde evangelist zo'n veelheid aan gegevens over de toenmalige geschiedenis, cultus- en rechtsgeschiedenis alsook over de topografie uit de tijd van het leven van Jezus, dat niet alleen een teruggrijpen op ooggetuigen beschikbaar moest zijn, maar dat de auteur zelf ooggetuige van de gebeurtenissen was. Zo hebben archeologische opgravingen de beschrijving van de vijver van Bethesda in het Johannes-Evangelie volledig bevestigd. In het algemeen doet het verhaal aannemelijk maken, dat de auteur in de persoon van de jonge apostel Johannes bij de geschilderde gebeurtenissen was, zoals bijvoorbeeld bij de eerste ontmoeting met Jezus: "... het was rond het tiende uur"(Joh. 1, 39). Een tijdsaanduiding, zoals iemand die geeft, die zich een onvergetelijk ogenblik herinnert.
Ook de vroegchristelijke getuigenis voor de apostel Johannes als schrijver is van unieke duidelijkheid. De H. Ireneus beroept zich daarbij op Polycarpus van Smyrna en op Papias, die zelf nog omgang hadden met Johannes. Ook Polycrates van Efese getuigt rond het jaar 190 in een brief aan de Romeinse bisschop Victor over de rol van de evangelisten als "getuigen" en "leraars" en beroept zich voor deze traditie op Polycarpus, Sagaris van Laodicäa, Meliton van Sardes en zeven andere bisschoppen. Mag het Johannes-Evangelie niet als eerste opgeschreven zijn, dan spreken toch talrijke argumenten ervoor, dat de lievelingsdiscipel zelf het tegen het eind van leven opgeschreven heeft.
Een van de nooit kritisch verwerkte principes van de moderne exegese sedert Bultmann en Dibelius was, dat de gebeurtenissen zoals de H. Schrift ze schildert, niet plaats gehad kunnen hebben; men zou alleen de methode moeten vinden, volgens welke de daar weergegeven mythe ontstaan is. Bijna tweehonderd jaar hebben hele generaties van bijbelonderzoekers het dictaat van een natuurwetenschappelijk wereldbeeld verondersteld en de God van de H. Schrift naar het onvatbare, onwereldse en mysterieuze verwezen. Maar God met een wereldbeeld tegemoet treden is ongeveer zo, als zou men vat krijgen op de geschiedenis van de ontwikkeling van het melkwegstelsel van ons heelal met de verkeersregeling.
De moderne exegese heeft grote dingen tot stand gebracht en in vele afzonderlijke vragen duidelijkheid geschapen en flinke constateringen gedaan. Maar zij heeft de grotere samenhang verloren: de mens kan niet uit zichzelf tot de geheimen van God doordringen. God kan echter wel in de mens binnendringen - zoals het gebeurd is, toen God vlees geworden is, een concrete gestalte aannam, zich aan de een toonde, en aan de ander niet. De getuigen van de werken van Jezus Christus hebben deze ontmoeting met God, deze unieke gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid opgetekend - met hun zwakheden, hiaten in het geheugen en begrenzingen in de interpretatie. Maar het heeft een plastisch, duidelijk en ten diepste geloofwaardig beeld van de Zoon van God. Hem te loochenen zou betekenen een stuk geschiedenis uit te wissen.
1.Logia: uitspraken van Christus, m.n. de niet-bijbelse, die men op papyri aangetroffen heeft.
|