- Nog naastenliefde in de 2000 jaar oude Kerk?
Het revolutionaire idee van de naastenliefde is onder de ambtsdragers en waardigheidbekleders van een 2000 jaar oud instituut allang verloren gegaan.
Toen Jezus zijn apostelen leerde, dat Godsliefde en naastenliefde bij elkaar horen, was dat werkelijk een revolutie. “Op de vraag, wat het eerste gebod is, antwoordde Jezus: het eerste is: ‘Hoor, Israël, de Heer, onze God, is de enige Heer. Daarom zult gij de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw gedachten en geheel uw kracht. Als tweede komt daarbij: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Geen ander gebod is groter dan deze twee.’” Maar er kwam iets ongehoords bij, iets, dat zo nog in geen enkele geloofs- of godsdienstgemeenschap bestaan had: Jezus stelde zich in een gelijkenis gelijk met de behoeftigen, en wel op zo’n nadrukkelijke manier, dat Hij tot zijn leerlingen zei: “Voorwaar, ik zeg u: wat u voor een van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hert u voor Mij gedaan”. Ook in de geringste broeders niet alleen dezen, maar Christus zelf lief te hebben, liet de gastvriendschap van de heidenen feitelijk ver achter zich.
Een geheel nieuw begrip van de liefde voor de naaste en de arme vormde daarmee overeenstemmend de traditie van de Kerk in de daaropvolgende eeuwen en alle culturen, die in de loop der tijd in aanraking kwamen met het christendom. De theologen en kerkvaders van de vroege christenheid begrepen de identificatie van Jezus met de geringsten niet als substantiële eenheid zoals in het geval van de Eucharistie, maar wel als heel reële en persoonlijke tegenwoordigheid van Christus. Daardoor kreeg de dienst aan de naaste, vooral echter aan de arme, een geheel nieuwe kwaliteit. In de caritatieve gemeenschappen van de middeleeuwen, zoals de hospitaalorde van de Maltezer ridders, waren het leden van de adel die hun rol met de armste mensen verruilden en bij het uitoefenen van de ziekendiensten in hen de “Heren”, d.w.z. de lijdende Christus zagen. Tegenwoordig zijn het de zusters van Moeder Teresa die de wereld de christelijke naastenliefde voorleven. Zij vertrouwen erop, dat iedereen die zij ontmoeten Christus is. Dat gaat ver boven medemenselijkheid en een altruïstisch humanisme uit.
Dat in de loop van de tijd de Kerk in talrijke instellingen een organisatorische plaats heeft gevonden, vermindert haar oorspronkelijkheid en de kracht van haar uitstraling. Wanneer bijvoorbeeld het Vaticaan in zijn jaarstatistiek de katholieke instellingen opvoert, die over de hele wereld werkzaam zijn in de gezondheidszorg, staan de getallen op de voorgrond: 4104 sanatoria en 4169 bejaardentehuizen evenals 166 klinieken voor langdurig verblijf.
Al die inrichtingen hebben besturen, directeurs met boven hen stichtingen en instanties, zij hebben wellicht financiële problemen, tenminste in de westerse staten personeelsvertegenwoordigingen en discussie binnen het bedrijf, zoals ook in wereldlijke ondernemingen. Dat alles kan de concrete werken van naastenliefde naar buiten toe bedekken. Het betekent echter niet, dat achter de façaden van deze inrichtingen niet dezelfde naastenliefde beoefend wordt als ze door de heldhaftige en fascinerende voorbeelden van de christelijke caritas gepraktiseerd werd en wordt. Evenzo kan een door discussiethema’s binnen de Kerk en theologische twistpunten getekend beeld, dat de Kerk althans in de media uitdraagt, niet verdoezelen dat er op vele plaatsen heldhaftige naastenliefde beleefd wordt, die grotendeels verborgen blijft.
Toch zijn er in de Kerk steeds figuren geweest, die een gebrek aan naastenliefde hebben vastgesteld en daartegen hun stem verheven hebben. Een van hen is Johannes Chrysostomus, een Oost-Romeinse theoloog en bisschop uit de vierde eeuw, die de liefde tot God niet voldoende uitgedrukt zag in het schenken van gouden kelken en waardevolle paramenten aan de kerken: “De Kerk is toch geen goud- en zilverwinkel! Wilt u dus het Lichaam van Christus eren? Ga niet aan Hem voorbij als u Hem naakt ziet; eer Hem niet hier met zijden gewaden, terwijl u zich daarbuiten op de straat niet om Hem bekommert, waar Hij door kou en naaktheid ten onder gaat! Dezelfde die gezegd heeft: “Dit is mijn Lichaam”, … heeft ook gezegd:… “Wat u aan een van de geringsten niet gedaan hebt, hebt u ook aan Mij niet gedaan”.. Bewijst u Hem dus ook de eer die Hijzelf verlangd heeft, en wendt uw rijkdom aan ten gunste van de armen!”
Steeds weer kunnen goud en zilver, maar ook macht, ambten of bureaucratische gewichtigheid de laatste en diepste grond van de christelijke naastenliefde, dat wil zeggen de blik op Christus, versluieren. De caritatieve werken en diensten aan de armen, die er toch overal waar de Kerk werkt altijd geweest zijn en die er ook vandaag in indrukwekkende hoeveelheid zijn, worden dan mechanisch werkende inrichtingen. Ze kunnen goed werken en ook zinvol zijn, maar het charisma ontbreekt hun, het unieke, dat de christelijke naastenliefde van alle humanitaire overtuigingen en gebaren van de medemenselijkheid onderscheidt. Dit charisma bestaat er echter in, in ieder mens het schepsel van God te zien, hem lief te hebben, omdat hij een beeld van de Almachtige is en hetzelfde geheim in zich draagt, dat alle mensen verbindt: zonen en dochters, d.w.z. kinderen van God te zijn.
Iemand kan sympathiek of onsympathiek, ontwikkeld of dom zijn, een witte, gele of donkere huidskleur hebben, hij verdient onze genegenheid (niet door de cultivering van een gevoel, maar als akte van de wil), omdat God in hem leeft. De zusters van Moeder Teresa hebben met hun “opzienbarende”vorm van dienst aan de armen in Calcutta de hele wereld duidelijk gemaakt, dat deze christelijke naastenliefde ook vandaag nog bestaat. Ze werd niet bedekt en wordt ook op vele andere plaatsen beleefd, waar de ogen van camera’s en verslaggevers niet toeschouwen. Het is echter ook waar, dat de liefde op vele plaatsen in de Kerk verkoeld is. Iedereen is geroepen, in zijn omgeving de revolutie van de christelijke naastenliefde opnieuw te laten plaatsvinden.
“Tot het gelukkige leven behoort de innerlijke overeenstemming met God. Alleen wanneer deze basisrelatie overeenkomt, kunnen ook alle andere relaties goed worden. Daarom is het belangrijk, een leven lang en van kinds af aan het denken met God, het voelen met God en het willen met God te leren en te oefenen, opdat daaruit liefde ontstaat en opdat liefde de grondtrek van ons leven wordt.
Wanneer dat het geval is, is de naastenliefde vanzelfsprekend. Want wanneer de grondtoon van mijn leven de liefde is, dan kan ik tegenover de medemensen, die God op mijn weg geplaatst heeft, van mijn kant alleen uit het ja, uit het vertrouwen, uit de toestemming en de liefde leven. De H. Schrift gebruikt voor de beschrijving van de naastenliefde een zeer wijs en diep woord: “Liefhebben zoals uzelf.” Zij verlangt geen avontuurlijk en onwaar heldendom. Zij zegt niet: “U moet afwijzend staan tegenover uzelf en er alleen maar helemaal voor de ander zijn; u moet jezelf minder maken en die ander meer”. Nee, als uzelf. Niet meer en niet minder. En mens die met zichzelf in onvrede is, zal ook voor de ander niet werkelijk goed zijn. Wie zichzelf niet aanvaardt, stoot zich ook aan de ander. De ware liefde is rechtvaardig: zichzelf liefhebben als een van de leden van het lichaam van Christus, daartoe leidt zij ons. Tot het, evenals de anderen, vrij worden van dat valse perspectief waarmee wij allen geboren worden, alsof de wereld om ons ik draait.”
|