stpiusx.be
| stpiex.be
|
|||
Geloofsvragen
Laten we eens aannemen, alleen voor de aardigheid, maar die aardigheid zou iemand dan snel vergaan, dat bisschoppen gekozen zouden worden, bijvoorbeeld door de kerkleden van het betreffende bisdom of door zoiets als een "bisdomparlement", waarheen parochies en kerkelijke instanties elke vier jaar hun vertegenwoordigers afvaardigen. Wie eens de nieuwe bezetting van een bisschopszetel van nabij heeft meegemaakt, weet wat er dan zou gebeuren. Namelijk dat, wat overal bij het kiezen gebeurt: verkiezingsstrijd. En "verkiezingsstrijd" verloopt altijd volgens hetzelfde schema. Iedere kandidaat beweert, dat hij de beste is en belooft, wat bij de meerderheid van de kiezers het beste aankomt. Nu zijn intelligente priesters, die als geschikt voor bisschop gelden, natuurlijk ver verheven boven zulk laag populisme. Maar het zijn toch ook maar mensen. En bisschop zijn is een relatief goed betaalde baan (tenminste in de wereld van de clerici en de theologen). Waarom zou dus een kandidaat, als er ergens zo'n democratische bisschopskeuze zou plaats vinden, niet op de een of andere manier rondstrooien, dat hij uiteindelijk een "geweldige type" is, dat hij het aantal kerkelijk gefinancierde arbeidsplaatsen zal verdubbelen en bijv. in de kwestie van het hertrouwen van gescheiden mensen niet zo bekrompen zal zijn. En dan de verkiezingsbeloften die bijv. lekenraden, topfunctionarissen van de katholieke bonden of vertegenwoordigers van de kerkelijke media zouden kunnen eisen. Om nog maar helemaal te zwijgen over de tijd en het lieve geld die het de kandidaten kost, om zich eerst maar eens bekend te maken (en als ze het niet zelf doen dan doen anderen dat, ieder naar zijn smaak, wat toch ook niet democratisch zou zijn). En dan moet men het scenario van zo'n bisschopsverkiezing ook nog eens verplaatsen naar de landen in zwart Afrika met hun traditiegewijs sterk bindingen van de individuen aan stammen of clans ofwel in staten, waarin zoiets als een "democratische cultuur" nog niet ontwikkeld is, en men kan zich de dolste machtsspelletjes en verkiezingsstrijdthrillers voorstellen, die in de wereld van de politiek misschien gebruikelijk zijn, maar het verloop van de bisschopsbenoeming onwaardig. In vroeger tijden zag men dat anders. In de drie eeuwen voor de erkenning van het christendom door keizer Constantijn werden de bisschoppen inderdaad verregaand door de gemeente gekozen. Daarvan spreekt de meerderheid van de nochtans karige bronnen. Dat was de tijd, waarin de gezamenlijke gemeenschap in de vergaderruimte van de kerk paste. Juist het uitroepen van de H. Martinus tot bisschop van Tours is een (nochtans laat, men schreef al het jaar 371) voorbeeld voor deze "overzichtelijkheid". Volgens het bericht van Sulpicius Severus was de hele stad op de been en ook aanwezig, toen in de kerk enkele opponerende bisschoppen hun weerstand tegen Martinus moesten opgeven. In de eerste eeuwen van het christendom vond dus de benoeming van de bisschoppen onder de ogen en ook met toedoen van de plaatselijke gemeenschap plaats. Het is gewoon verkeerd, dat de paus de bisschoppen benoemt. Ze zouden zoals vroeger door de gelovigen gekozen moeten worden, zoals bijvoorbeeld indertijd de H. Martinus, de bisschop van Tours.Met de Constantijnse kentering van 313 begon de Kerk te groeien. Aan de ene kant maakte de massale toestroom, die het christendom nu ervoer, een bisschopskeuze door alle gedoopten steeds moeilijker. Aan de andere kant kreeg het bisschopsambt plotseling publieke betekenis en in toenemende mate ook politiek gewicht: dus mengden de keizer en de vorsten zich meer en meer in de benoeming van de bisschoppen. De verdere ontwikkeling verliep in het oosten anders dan in het Westen.- De keuze van de bisschoppen was theoretisch nog zaak van "clerus en volk" - Maar op zijn laatst tegen het einde van het eerste christelijke millennium hadden de machtigen zich van een bepaalde invloed op de bezetting van de bisschopszetels verzekerd. De investituurstrijd was het gevolg. Dat wil zeggen die lange twist van de pausen met de keizer en de koningen van het christelijke avondland. In 1077 in de boetetocht vond deze strijd van keizer Hendrik IV naar paus Gregorius VII in Canossa een spectaculair hoogtepunt, maar hij zou zich onder veranderde omstandigheden in de volgende eeuwen voortzetten.Uitgangspunt van deze strijd was een hervormingsbeweging in de Kerk, die in de elfde eeuw inzette. Die regelde om te beginnen de pauskeuze opnieuw. Tijdens de grote "Gregoriaanse Hervorming" werden ook de bisschopsbenoemingen aan de invloed van de staat onttrokken. Een tweede belangrijke gebeurtenis was het vierde concilie van Lateranen van 1215, dat voor de Latijnse Kerk de domkapittels als enige kiesraden voor de bisschopskeuze bepaalde. Meer en meer kon de Kerk de machtswellust van de heersers voor de inspraak bij de beslissing van personeelskwesties binnen de Kerk beteugelen en indammen. "Het volk" - van koning of keizer als hoogste leken in de staat tot en met de eenvoudige gelovigen - werd uit het proces van de bisschopsbenoemingen uitgesloten. Het enige recht om bisschoppen te kiezen ging over op de domkapittels. Vanaf de veertiende eeuw bekrachtigden de pausen deze verkiezingen over een vérstrekkend gebied te bekrachtigen. Mede doorslaggevend hiervoor was het reeds op het derde Lateraans concilie van 1179 geformuleerde devolutierecht. Het bepaalde, dat het recht van de bisschopsbenoeming op de in rang onmiddellijk hoger staande instantie - dat wil zeggen op de metropolitaanse bisschop en daarna op de paus - overgaat, wanneer de keuze in het betrokken bisdom niet binnen drie maanden heeft plaatsgevonden. Ook al zou in de volgende eeuwen verschillende vorsten, koningen en keizers het benoemingsrecht als pauselijk privilege krijgen en dit weer inschakelen van de wereldlijke macht nog lange tijd blijven gelden, toch hadden zich daardoor de essentiële elementen uitgekristalliseerd, zoals het Concordaat van Wenen van 1448 ze voor de "natie van de Alemannen" vastlegde: de vrije bisschopskeuze door het domkapittel werd beschermd en het pauselijk recht tot bekrachtiging erkend. Tot de secularisatie van 1803 was daardoor een grondpatroon gemaakt, waarnaar het proces van het vinden van een bisschop verliep. Vooral in de geestelijke vorstendommen, die de secularisatie evenwel niet zouden trotseren, waren de domkapittels de beslissende factor bij de bisschopsbenoeming. In de overige bisdommen hadden de landsheren het privilege van de bisschopsbenoeming vaak behouden. De Franse Revolutie kwam, en na de politieke reorganisatie van Europa kwamen de concordaten met de staten, en tenslotte kwam ook de tijd om, buiten de traditioneel katholieke landen in Europa, om zo te zeggen op tot dan toe onberoerd terrein, nieuwe hiërarchieën op te bouwen: om te beginnen in Amerika, daarna in Afrika, Azië en Oceanië. Terugkijkend moet men constateren, dat de bisschopsbenoemingen sedert de tijd dat het christendom onder Constantijn de "illegaliteit" verliet en vervolgens de door de heersers erkende godsdienst van hun volken en onderdanen werd, gekenmerkt waren door de twisten ofwel de overeenstemming met de wereldlijke macht. Het "ideale geval", dat het hele "volk" van een diocees met inbegrip van clerus en leken in de bisschopskerk paste, was alleen in het begin gegeven. Toen kan de bisschopskeuze door het volk ook praktisch mogelijk geweest zijn. Toen de Kerk in de openbaarheid trad en een politieke factor werd, was het daarmee gedaan. Nu bestaat er helemaal geen noodzaak, het ineengrijpen van geloof en politiek, de soms nauwe verbinding van Kerk en wereldlijke macht alsook de persoonlijke verwikkelingen tussen regerende en bisschoppen goed te keuren of als ideaal te kwalificeren. Juist in tegendeel. Veel mensen spreken van een vijftienhonderd jaar durende Babylonische ballingschap, die de Kerk aan de hoven van de vorsten en koningen vastgehouden heeft - en die met de secularisatie aan het begin van de negentiende eeuw nog niet haar abrupte einde, eerder het begin van wederzijdse bevrijding vond. Steeds hebben pausen - als heersers van een kerkstaat - oorlogen gevoerd, hebben kardinalen en bisschoppelijke vorsten landen geregeerd, hun macht verdedigd, tegenstanders uit de weg geruimd, verdragen gesloten en verdragen gebroken. Maar wie wilde zich aanmatigen, hier voor rechter te spelen? Over de aanpassing van de Kerk aan de wereldlijke macht schrijft de theoloog Gerhard Lohfink: "Met dit alles moet de geschiedenis van de Kerk niet als geschiedenis van verval beschreven worden - ongeveer op de manier alsof de Kerk, vooral sedert de Constantijnse kentering, langzaam maar zeker steeds meer degenereert. De ontwikkeling tot de rijkskerk en tenslotte tot de staatsgodsdienst werd de Kerk door de constellatie van de late Oudheid bijna opgedrongen. Misschien moest zij deze weg gaan. Het was een grandioze poging, en christelijk "rijk" tot stand te brengen en zo geloof, leven en cultuur tot de eenheid te brengen" (Heeft God de Kerk nodig? Freiburg 1998, blz. 268). Dat deze - wellicht grandioze - poging van het tot stand brengen van christelijke naties, waarin de geestelijke arm van de bisschoppelijke macht met de wereldlijke macht van de vorstelijke of koninklijke macht door het ene geloof van de Kerk verbonden is en beide gezamenlijk een harmonisch christelijke levensruimte te scheppen, in Europa zowel als in Amerika het tijdperk van de Verlichting alsook het ontstaan van de pluralistische democratie niet overleefd heeft en in de andere werelddelen bijna nergens tastbare successen kon boeken, betekent op een bepaalde manier ook een vrijheidswinst: een investituurstrijd zou het vandaag de dag niet meer kunnen geven, en een verbanning van de pausen naar verre vorstenhoven is ook niet meer voor te stellen. Terug naar de bisschopsbenoemingen. Sinds de bisdommen van de Wereldkerk vrij en in de regel onafhankelijk van iedere beïnvloeding door de staat met leiders van het bisdom bezet kunnen worden, is er een systeem van bisschopsbenoemingen gewoonte geworden, dat elementen van de deelname van de gelovigen met het benoemingsrecht van de paus verbindt. Ook het Vaticaan wil geen bisschoppen buiten de wil van een diocees benoemen. Dus gaat hij vóór een bisschopswisseling uitzoeken, hoe de mening aan de basis is. In landen die diplomatiek met Rome verbonden zijn voeren de nuntii, als vertegenwoordigers van de paus zogenaamde informatieprocessen uit. Men verzamelt stemmen, raadpleegt clerici en leken, bovendien sturen de bisschoppen regelmatig lijsten met namen van geschikte kandidaten naar Rome. Het geheel voltrekt zich uiterst discreet, zodat na het oordeel van de paus op grond van de binnenkomende voorstellen respectievelijk na de keuze van het domkapittel op grond van een drievoudige lijst uit Rome niemand er publiek als "afgewezen kandidaat" voor staat. Het systeem heeft zijn zwakke kanten, nu en dan moet er ook een klaarblijkelijke misgreep vermeld worden. Maar voor de Kerk van de latere nieuwe tijd heeft het voldaan - toekomstige veranderingen zijn daarbij natuurlijk niet uitgesloten.
|
|||
|
|||