stpiusx.be | stpiex.be Contact
Printheader
Christelijk geweten tot steun van het recht op leven

Slotcommuniqué van de 13de Algemene Vergadering van de Pauselijke Academie voor het Leven 18 april 2007

    Johannes Paulus II, Evangelium vitae (encycliek)
    72 ... Wanneer ze echter van het verstand afwijkt, wordt het een onrechtvaardige wet genoemd en heeft het niet het karakter van een wet. maar veeleer dat van een daad van geweld' 2 H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 3, ad 2um.. En verder: 'Elke door mensen gemaakte wet heeft in zoverre het karakter van een wet, voor zover ze afgeleid wordt van de natuurwet. Maar wanneer ze op enig punt van de natuurwet afwijkt, dan zal ze niet meer wet zijn, maar eerder een corruptie van de wet' 3 H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 95, a. 2. De Aquinaat citeert Sint Augustinus: 'Non videtur esse lex, quae iusta non fuerit', De libero arbitrio, I, 5, 11: PL 32, 1227..
    De eerste en meest rechtstreekse toepassing van deze leer betreft de menselijke wet die het fundamentele grondrecht op leven, dat iedere mens eigen is, niet erkent. Zo staan de wetten die het rechtstreekse doden van onschuldige mensen, in de vormen van abortus en euthanasie, voor gewettigd verklaren, in totale en onverzoenlijke tegenspraak met het onaantastbare recht op leven dat alle mensen eigen is en ontkennen zij bovendien de gelijkheid van allen voor de wet. Men zou kunnen tegenwerpen dat dit dan niet geldt voor euthanasie, wanneer de betreffende mens bij volledig bewustzijn erom gevraagd heeft. Maar een staat die een dergelijk verzoek zou wettigen en doorvoering ervan toelaten, zou tegen de grondbeginselen van absoluut respect voor het leven en van de bescherming van ieder mensenleven een zelfmoord, respectievelijk moord, legaliseren. Zo wordt ruim baan gemaakt voor het nalaten van eerbied voor het leven en effent men de weg voor een houding die het vertrouwen in de sociale betrekkingen vernietigt.
    De wetten die abortus en euthanasie toelaten en bevorderen, stellen zich dus niet alleen radicaal op tegen het welzijn van het individu, maar ook tegen het gemeenschappelijk welzijn, en missen daarom iedere geloofwaardige rechtsgeldigheid... Daaruit volgt dat, wanneer een burgerlijke wet abortus en euthanasie goedkeurt, zij juist daarom geen echte, zedelijk verplichtende burgerlijke wet meer is.

  1. Op 23 en 24 februari organiseerde de Pauselijke Academie voor het Leven een Internationaal Congres in het Vaticaan bij gelegenheid van haar 13de Algemene Vergadering. Het thema van het congres was: "Christelijk geweten tot steun van het recht op leven". Tegenwoordig waren de leden van de Pauselijke Academie voor het Leven en andere welbekende deskundigen, naast ongeveer 420 personen uit de hele wereld.

    Aan het einde van de bijeenkomst biedt de Pauselijke Academie voor het Leven, op grond van hetgeen bleek uit de voorgelegde rapporten en uit de levendige en opbouwende discussie, de volgende overwegingen aan de kerkelijke gemeenschap, de burgerlijke gemeenschap en aan iedere mens van goede wil aan, om over na te denken.

  2. "In het diepst van zijn geweten ontdekt de mens een wet, die hij zich zelf niet gegeven heeft, maar waaraan hij moet gehoorzamen. De stem van deze wet spoort hem voortdurend aan, het goede lief te hebben en te doen, en het kwade te vermijden, en op het juiste ogenblik zegt ze hem diep in zijn hart: doe dit, doe dat niet. Want de mens heeft een wet, die door God in zijn hart geschreven is, en het maakt zijn waardigheid uit, aan deze wet te gehoorzamen en volgens deze wet zal hij geoordeeld worden." (Gaudium et Spes, nr. 16).

    Dus, handelend in gelovige gehoorzaamheid naar de oordelen van zijn eigen morele geweten, dat eerlijk het goede zoekt en steeds gevoed wordt door de gekende waarheid, brengt ieder mens zijn menselijke waardigheid tot uitdrukking en realiseert ze diep in zichzelf, waarbij hij zichzelf en de hele gemeenschap tot lering strekt door zijn eigen weloverwogen en vrije keuzen.

  3. Om altijd bij zijn handelingen geleid te worden door het oordeel van zijn morele geweten om inderdaad het goede te doen, moet de mens elke mogelijke zorg nemen voor de voortdurende vorming ervan, door het te voeden met waarden die overeenstemmen met de waardigheid van de menselijke persoon, met de rechtvaardigheid en met het algemeen welzijn, zoals de Heilige Vader in herinnering bracht in zijn toespraak tot de Pauselijke Academie voor het Leven:

    "De vorming van een geweten dat juist is, omdat het is gebaseerd op de waarheid, en dat rechtvaardig is, omdat het vastbesloten is de ingevingen ervan zonder tegenspraak te volgen, zonder misleiding en zonder compromissen, is vandaag de dag een moeilijke en delicate, maar onontbeerlijke onderneming" (Toespraak tot de deelnemers aan de 13de Algemene Vergadering van de Pauselijke Academie voor het Leven, 24 februari 2007; L'Osservatore Romano).

    Vooral het christelijk geweten wordt bij zijn zoeken naar het goede geheel verlicht door een onophoudelijke ontmoeting met het Woord van God, verstaan en beleefd in de christelijke gemeenschap in overeenstemming tot de leer van het Magisterium.

  4. Johannes Paulus II, Evangelium vitae (encycliek)
    73 ... Abortus en euthanasie zijn dus misdrijven waarvan geen enkele menselijke wet zich de legitimatie kan aanmatigen. Wetten van deze soort houden niet alleen geen verplichting voor het geweten in, maar wekken veeleer de ernstige en duidelijke plicht op, om zich ertegen te verzetten met behulp van het beroep op gewetensbezwaren. Vanaf de begintijden van de Kerk heeft de verkondiging van de apostelen de christenen de plicht tot gehoorzaamheid jegens het rechtmatig optredende openbaar gezag ingeprent 1 Vgl. Rom. 13, 1-7; 1 Petr. 2, 13-14, maar tegelijkertijd krachtig gewaarschuwd dat men 'God meer moet gehoorzamen dan de mensen' (Hand. 5, 29) ... Uit de gehoorzaamheid jegens God - aan wie alleen die vrees toekomt die de erkenning van zijn absolute soevereiniteit is - groeien de kracht en de moed om aan de onrechtvaardige wetten van de mensen te weerstaan. De kracht en de moed van hem die bereid is ook de gevangenis in te gaan of door het zwaard om te komen, in de zekerheid dat 'hier de standvastigheid en de geloofstrouw van de heiligen moet blijken' (Openb. 13, 10)...

  5. Deze behoefte aan de voortdurende vorming en verdieping van het geweten is heel duidelijk vandaag de dag, nu er zoveel culturele en maatschappelijke problemen aan de oppervlakte komen en het recht tot leven in de context van het gezin, in de aanvaarding van de plichten die eigen zijn aan echtparen en aan ouders, in de wereld van de gezondheidszorg en in de politieke taken, aantasten.

    Het is de steeds noodzakelijker en dringender taak van het christelijk geweten, authentieke menselijke waarden aan te nemen en beginnend met de fundamentele waarde van eerbied voor het leven in zijn lichamelijk bestaan en waardigheid, dergelijke problemen te zien in het licht van het verstand, verlicht door het geloof, bij het vormen van meningen over de morele waarde van zijn eigen daden.

  6. Daarbij kunnen we niet voorbijzien aan de vele moeilijkheden waarop het christelijk geweten van de gelovigen vandaag stuit bij het vormen van een mening en bij het redeneren. Deze moeilijkheden zijn te wijten aan de culturele context waarin zij leven en waarin zij de "gezagscrisis" ervaren, het geloofsverlies en al te vaak een tendens om zijn heil te zoeken in vormen van extreem rationalisme.

    Behalve de culturele context, wordt een ander gebied dat het christelijk geweten op de proef stelt gevormd door de juridische regels die van kracht zijn, zowel die welke gecodificeerd zijn en die welke zijn gedefinieerd door rechtbanken als de uitspraken gedaan door rechtbanken, die in toenemende mate en onder sterke druk van vereende en invloedrijke groepen de rampzalige bres van de decriminalisering hebben geopend en nog openen: er worden uitzonderingen op het recht op leven van het individu voorzien, uiteenlopende aanvallen op het menselijk leven worden steeds meer gelegaliseerd en lopen in feite uit op het ontkennen dat het leven de basis is van ieder ander recht van het individu, en dat het respect verschuldigd aan de waardigheid van ieder menselijk wezen de basis is van vrijheid en verantwoordelijkheid.

    In dit opzicht heeft Benedictus XVI in herinnering gebracht dat "de christen voortdurend geroepen is om altijd alert te zijn om de veelvuldige aanvallen onder ogen te zien, waaraan het recht op leven is blootgesteld"

  7. Johannes Paulus II, Evangelium vitae (encycliek)
    74 ... De invoering van onrechtvaardige wetten plaatst moreel juiste mensen dikwijls voor moeilijke gewetensproblemen m.b.t. medewerking in verhouding tot een goede toepassing van het eigen recht om niet gedwongen te worden tot deelname aan moreel slechte handelingen. Soms zijn de beslissingen die nodig blijken, pijnlijk en kunnen ze er zelfs om vragen een hoge beroepspositie op te geven of af te zien van gewettigde promotie- en carrièreperspectieven. In andere gevallen kan blijken dat het doorvoeren van in zichzelf onbepaalde of zelfs positieve handelingen, die in de artikelen van als geheel onrechtvaardige wetgevingen zijn voorzien, de bescherming van een bedreigd mensenleven toelaat. Van de andere kant mag men daarentegen met recht vrezen dat de bereidheid om dergelijke handelingen uit te voeren, niet slechts tot een steen des aanstoots wordt en de nodige weerstand tegen aanvallen op het leven verzwakt, maar geleidelijk zal leiden tot verdere capitulatie voor een houding die alles toelaat.
    Om licht te werpen op deze moeilijke morele kwestie moet herinnerd worden aan de algemene principes t.a.v. de medewerking aan slechte handelingen. Zoals alle mensen van goede wil worden de christenen aangespoord om onder ernstige verplichting van hun geweten, niet aan die praktijken formeel mee te werken, die, hoewel door de wetgeving van de staat toegelaten, tegengesteld zijn aan de Wet van God. Want vanuit moreel gezichtspunt is het nooit geoorloofd formeel aan het kwaad mee te werken. Zo'n medewerking vindt plaats wanneer de uitgevoerde handeling ofwel op grond van haar aard, ofwel vanwege de vorm die zij in een concreet kader aanneemt, gekarakteriseerd moet worden als directe deelname aan een tegen het onschuldige mensenleven gerichte daad of als instemming met de immorele bedoeling van de hoofddader. Deze medewerking kan nooit worden gebillijkt, ... In deze zin zou voor de artsen, het verplegend personeel en de directeuren van ziekenhuizen, klinieken en verzorgingshuizen, de mogelijkheid gegarandeerd moeten zijn om de deelname aan de fase van overleg, voorbereiding en uitvoering van zulke handelingen tegen het leven, te weigeren. Wie grijpt naar het middel van het gewetensbezwaar moet niet alleen beschermd zijn tegen strafmaatregelen, maar ook tegen elk soort schade op wettelijk, disciplinair, economisch en professioneel vlak.

  8. De specifieke eisen van het christelijk geweten worden blootgesteld aan hun vuurdoop in hun toepassing op de beroepen in de gezondheidszorg; hier worden christenen geconfronteerd, zowel met hun plicht om het menselijk leven te beschermen en met het risico van zich te bevinden in situaties waarin zij bij het uitoefenen van hun professionele plichten met de duivel meewerken.

    In dergelijke situaties is de plichtsgetrouwe toepassing van een "moedige gewetensvolle tegenwerping" van groot belang voor het deel van de artsen, verpleegkundigen, apothekers en personeel van de administratie, juristen en parlementariërs, en andere personen die een beroep uitoefenen waardoor zij direct betrokken zijn bij de bescherming van individueel menselijk leven, overal waar de wettelijke normen handelingen eisen die het bedreigen.

    Tegelijkertijd echter zou er de nadruk op gelegd moeten worden dat het toevlucht nemen tot gewetensbezwaren vandaag de dag plaatsvindt in een culturele context van ideologische tolerantie. Deze leidt er soms paradoxaal toe de acceptatie van het uitoefenen van dit recht niet aan te moedigen omdat het een "destabiliserend" element is van de passiviteit (quiëtisme??) van het geweten.

    We willen de nadruk erop leggen dat het uitoefenen van het recht van gewetensbezwaar speciaal moeilijk is voor de beroepen in de gezondheidszorg, omdat dit recht normaal erkend wordt als het recht van een individu en niet van ziekenhuisstructuren of associaties.

    Op het gebied van de medische praktijk, moet het geval van "spoed-anticonceptie" (in het algemeen met gebruik van chemische middelen) genoemd worden. Het is allereerst nodig te herinneren aan de morele verantwoordelijkheid van hen die het gebruik daarvan mogelijk maken op verschillende niveau's, en de noodzaak van toevlucht tot gewetensbezwaar, want de effecten van deze vorm van anticonceptie zijn abortief (ze voorkomen de innesteling of zwangerschap). De morele plicht om het publiek te voorzien van complete informatie over de verschillende mechanismen van de handeling en de effecten van deze middelen zou ook weer verklaard moeten worden.

    Dit gaat natuurlijk gepaard met de plicht om zich te verzetten tegen iedere medische interventie of onderzoek die tot doel hebben het menselijk leven te vernietigen.

  9. Het mobiliseren van alle mensen die de bescherming van het menselijk leven ter harte nemen schijnt in toenemende mate aangewezen en moet uitgebreid worden tot de politiek. Respect voor het beginsel van gelijkheid dat eist, dat de rechten van alle mensen worden geëerbiedigd en beschermd, vooral in het geval van de zwakste en de meest weerloze schepselen, is een essentiële eis van rechtvaardigheid.

    Wij stellen opnieuw en met overtuiging het specifieke onderricht betreffende het gewetensbezwaar voor, dat wordt aangeboden in de encycliek Evangelium Vitae (cf. nrs. 72,73,74), bijzonder in het perspectief van het aanhanger zijn van christenen van de programma's die door de politieke partijen worden voorgesteld.

    Wij hopen ook op de wetgeving die artikel 18 van de Universele Declaratie van de Rechten van de Mens zal completeren. Deze is in 1948 geproclameerd door de Verenigde Naties om het recht van gewetensbezwaar te garanderen en om dit recht te verdedigen tegen alle vormen van discriminatie in de gebieden van werk, opvoeding en het toekennen van steun en subsidie door de regeringen.

  10. Verklaring van de mensenrechten artikel 18
    Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particulier leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.

  11. Om te besluiten, geven wij opnieuw het verlangen door de Heilige Vader tot uitdrukking gebracht als een boodschap van hoop en van belofte om bij te dragen aan het opbouwen van een menselijke samenleving in verhouding tot de mens: "Daarom vraag ik God onder u, dierbare broeders en zusters, en onder hen die zich in dienst stellen van de wetenschap, de geneeskunde, de wet en de politiek, getuigen te zenden begaafd met juiste en eerlijke gewetens, om "de glorie van de waarheid" te verdedigen en bevorderen en de gave en het mysterie van het leven te ondersteunen.

    "Ik vertrouw op uw hulp, dierbare uitoefeners van uw beroep, dierbare filosofen, theologen, wetenschappers en geneesheren. In een maatschappij die somtijds chaotisch en gewelddadig is, kunt u met uw culturele kwaliteiten, door onderricht en door het voorbeeld, eraan bijdragen dat in vele harten de welsprekende en duidelijke stem van het geweten ontwaakt". (Addr. ORE, op. Cit. p. 4).

Terug naar het overzicht vrijdag 02 november 2007