stpiusx.be | stpiex.be Contact
Printheader
Thomas van Aquino

Thomas van AquinoDe onverdeeldheid van God

God, die zo nederig onze Liefde is en zo majestueus onze Heer, is onveranderlijk Heer en Liefde. Zelf heeft Hij gezegd: ‘Ik ben God en Ik verander niet.' Hoe zou Hij ook kunnen veranderen? Hij kan er niets bijwinnen, want Hij is de oneindige volmaaktheid; Hij kan niets verliezen, want Hij is de hoogste Meester. Zijn scheppende kracht bepaalt, voordat er dingen zijn, dat zij zullen bestaan en diezelfde kracht bakent de grenzen af van de bestaande dingen, bepaalt wanneer zij, die nu bestaan, niet langer meer zullen zijn. Maar welke macht zal iets voorschrijven aan de hoogste Macht, waarop al het andere steunt? Wat er aan verandering bestaat is altijd in ons, wanneer wij ons koesteren in de warmte van zijn liefde of op misdadige wijze ons leven verpletteren tegen de muur van zijn macht, in opstand tegen de Gever van alle goede gaven.

Onveranderd in dit leven blijven zou voor ons een ramp betekenen, want altijd strekken zich de onbereikte hoogten voor onze trage voeten uit. Wij kunnen ons iets wat uiterlijk onveranderd blijft, nauwelijks indenken, omdat wij noodzakelijk worden ondergedompeld in de stroom van de ogenblikken van de tijd: gisteren, vandaag, morgen. De onveranderlijkheid van God sluit een begin en een einde uit, een waarheid die wij samenvatten in de verschrikkelijke majesteit van het woord ‘eeuwig'. Wij kunnen aan de eeuwigheid slechts denken in termen van de eindige tijd, als aan een kostbaar ogenblik, dat gegrepen en vastgehouden wordt en met uitsluiting van verleden en toekomst voortduurt; de eeuwigheid is echter veeleer een mantel, die de tijd omsluit als een speldenknop in de ononderbroken cirkel van het bestaan van God. God is nu, zoals Hij altijd was en altijd zal zijn; en toch is Hij van ons en zijn wij van Hem: de Koning van de eeuwen, onsterfelijk, onzichtbaar; de enige God.

Ofschoon God zo dicht bij al zijn schepselen is en speciaal dicht bij het verstand en het hart van de mens, toch gaat Hij boven iedereen en al het andere uit. De afgrond, die er gaapt tussen de Schepper en het schepsel, tussen het oneindige en het eindige, wordt overbrugd door de barmhartigheid van God, niet door een verval van Zijn goddelijke natuur. Niet door het verzwakken of neerhalen van zijn natuur komt Hij ons nabij, doch veeleer door haar volkomen enkelvoudige volmaaktheid is Hij onmiddellijk zo innerlijk nabij en zo transcendenteel de Absolute Ene.

‘Hoor Israël; de Heer onze God is één God.' Hij is geen complex van volmaaktheden die in de juiste proporties uitgedeeld zijn, geen verdeelde God of een die in onderdelen nog kan worden geanalyseerd, maar de oneindige, volkomen enkelvoudige en absoluut Volmaakte Ene. Geen God van delen dus en evenmin een God die kan vermenigvuldigd worden; want het verschil, waardoor er twee of meer goden mogelijk waren, zou een gemis insluiten waardoor zij van elkaar verschilden, een volmaaktheid welke de ene bezat en de andere miste. De verscheidenheid in de wereld en in de mensen is een gracieuze onthulling van de schoonheid van God, vervaagd om onze arme ogen niet te verblinden. Wij kunnen die verscheidenheid erkennen op de aantrekkelijke wijze van de nederigheid door de goedheid op te merken welke wij missen en die van de levens van anderen uitstraalt; of we kunnen de rechterstoel beklimmen, die voor de hoogmoed zo natuurlijk is en wijzen op al die goedheid, welke wij bezitten en die de arme stervelingen ontbreekt, die voor hun vonnis aan ons voorbijtrekken. Maar in de bron van alle verscheidenheid kan er geen samengesteldheid of verschil zijn; dit betekent, dat de goddelijke oorsprong van de samengesteldheid van de wereld niets mist van de volmaaktheid, die zij zo kwistig uitdeelt.


HET KENNEN EN BEMINNEN VAN GOD

Onze kennis van God

Wij kunnen onze ogen openzetten voor de duidelijke wenken van de goddelijke glorie in de gretige belofte van de lente, in de strenge zuiverheid van de winter of de malse rijkdom van de overvloed in de nazomer; onze dagen kunnen een zich voortdurend verbredende ontdekking zijn van de adel van het beeld van God in de minste van de mensen. De kleinste bijzonderheden van de ordening in de natuur kunnen ons verstand overweldigen door haar veelheid en samengesteldheid en ons daardoor een inzicht geven in de horizonten van de goddelijke wijsheid. Aan onszelf overgelaten zouden wij daarmee tevreden moeten zijn en toch duidelijk moeten weten, hoeveel meer er te zien en te beminnen is. Als de sluier maar kon weggenomen worden en onze ogen maar konden worden versterkt om de lichtende klaarheid van de goddelijke glorie te verdragen.

Uit hetgeen wij zo goed over onszelf weten is het duidelijk, dat dit een hopeloze droom is. Wat zijn onze lichamelijke ogen, dat zij zulk een uitzicht zouden eisen, terwijl zij nog zoveel niet zien van de dingen, die zo in het oog springend zijn, als de stralende glans in de ogen van een kind, de helderheid van de lucht en het landschap na een lenteregen, of zelfs de triomf van de kunstige kleurschakering in een enkel rozenblad? Wij zien zo weinig van de lichamelijke dingen waarvoor onze ogen toch gemaakt zijn. Wij kunnen niet verwachten daarin de onzichtbare en onbegrensde schoonheid van God te zullen zien. Onze geest dompelt zich gemakkelijk en zelfs met graagte onder het oppervlak van de fysieke dingen tot in de ontastbare realiteiten, die ons verstand verrijken en voeden; en toch, hoeveel ontgaat ons van de moed van kleine mensen, van hun halsstarrige hoop, hun dromen, hun spijt en hun liefde, te fijn voor het ruwe omhulsel van woorden. Deze dingen kan ons verstand zien, omdat zij passen in de beperkte grenzen van een begrip - het bruidskleed dat voor elke gast van ons verstand noodzakelijk is. Niet zo de oneindige volmaaktheid van de godheid.

God is eindeloos kenbaar, want Hij is de oneindige Waarheid; en altijd hunkeren wij ernaar de waarheid te kennen, die nog niet gekend wordt, verder te zoeken, onbevredigd door iets wat minder is dan de hele waarheid, de oneindige Waarheid. Niet voor niets is het vuur van deze goddelijke ontevredenheid in ons ontstoken. Door de minzame vriendelijkheid van God is datgene wat voor menselijke vermogens onmogelijk is, door de goddelijke gaven bereikbaar geworden. Wij kunnen het wezen zelf van God zien, de volle ongesluierde glorie van zijn schoonheid. Aan onze ogen is een licht geschonken om te zien in een glans, die groter is dan alle zonnen; en oneindige waarheid komt tot ons verstand, niet besloten in eindige begrippen, maar onmiddellijk, onopgesmukt, zonder enige bemiddeling, die de volle intimiteit van de vereniging van verstand en waarheid zou beperken. Dat is de aanschouwing Gods aan het einde van een goed geleefd leven, het antwoord op al de verlangens, die de voeten van de mens voortdrijven, de essentiële, intense activiteit, die heel dat ogenblik van de eeuwigheid voortduurt.

Niemand behoeft ooit onbekend te zijn met God. Ook het kleinste wezen in het heelal is duidelijk getekend met de naam van de goddelijke Kunstenaar; en elk ding heeft een aparte waarheid over zijn Maker mee te delen. Degenen, die de grenzen van ons arme menselijke verstand willen erkennen, kunnen ook waarheden, die te groot voor ons zijn, nog bezitten op het woord van God zelf. Zo geeft het geloof de mens vele waarheden over God, die we alleen van God zelf kunnen krijgen. Maar het verhaal dat het heelal ons vertelt is zo erg onvolledig, het verhaal van het geloof zo duister.

Eerst in de hemel zullen wij het verhaal in zijn geheel kennen, zullen wij God zien in zijn geheel, en in Hem de dingen die Hij gemaakt heeft. In de mate waarin ons hart God hier op aarde verwelkomd heeft zal ons verstand doordringen tot in de peilloze diepten van God zelf in de hemel zonder ooit de goddelijke rijkdommen uit te putten. Want we zijn geen God, maar zien God slechts zoals Hij Zichzelf ziet; hier immers gelijken wij werkelijk op God en zijn wij één met Hem in een eeuwige vereniging.

In dit leven kunnen wij over God spreken, omdat wij Hem kunnen kennen; maar nooit kunnen we het laatste woord over Hem zeggen. Wij kunnen Hem noemen, maar niet met een volmaakte, betekenisvolle naam, die alles zal zeggen wat er te zeggen valt. Wij spreken de waarheid over een kunstenaar, omdat wij zijn werken kennen, ook al hebben we de man zelf nooit gezien. We kunnen heel wat over een persoon zeggen, alleen al door de tekorten van de jeugd, de verwoestingen welke een ziekte aanricht en het invreten van de misdaad in hem te ontkennen. Zo kunnen wij, als we de schepselen van God kennen, al heel wat weten en zeggen van de waarheid over Hem; wij kunnen nog meer zeggen door in Hem al de tekorten welke wij in de schepsels van de wereld aantreffen te ontkennen. Nog veel verder kunnen we gaan door de waarheid van de goddelijke voortreffelijkheid te zien in al hetgeen goed is in de geschapen wereld: het grenzeloze leven, onvoorwaardelijke goedheid, absolute rechtvaardigheid, enzovoort.

Met dit alles zeggen we werkelijk iets, zien en zeggen wij wat waar is; feitelijk zijn deze laatste eigenschappen in een meer eigenlijke zin waar van God dan van onszelf. Want de rechtvaardigheid van een mens is slechts een verwrongen beeld van de rechtvaardigheid van God, zoals het leven van de mens niet meer dan een flikkerende schaduw is van het goddelijk leven. Toch zijn rechtvaardigheid en leven waar, zowel van God als van de mens, doch in beiden naar eigen verhouding; want de mens is het schepsel en God de Schepper, God is de Architect en de mens is zijn werk. Het is waar, dat het woord ‘God' de mens gemakkelijk op de lippen komt; toch is zelfs het meest profane gebruik ervan een waarachtige hulde aan de macht en de majesteit, een aanroeping van de enige uitspraak, die het eeuwige lot van de mens kan bezegelen. Tevens is het een hulde aan de universele zorg, de soevereine heerschappij van de Schepper over het schepsel. Die doordringende noot van een beschermende en universele zorg galmt in het woord ‘God' na, waar het ook in het heelal gesproken wordt; overal en altijd heeft het een gevoelswaarde, die in de diepste vezels van ons wezen een sidderend antwoord oproept. Dit woord is als een klok, die juichend of mistroostig het intieme leven van God in ons leven en ons leven in het zijne doet weerklinken.

Het is God zelf, die ons de beste naam voor God geeft. "Toen zei Mozes tot God: Wanneer ik nu tot de zonen Israëls ga en hun zeg: ‘De God uwer vaderen zendt mij tot u', wat moet ik dan antwoorden, als ze vragen: Hoe is zijn Naam? God sprak tot Mozes: Ik ben: ‘Ik ben!' En Hij vervolgde: Dit moet ge aan de Israëlieten antwoorden: ‘Ik ben' zendt mij tot u!" (Exodus 3, 13-14). Alleen in deze door God gegeven naam kunnen wij de volledige onafhankelijkheid van God uitdrukken, de zee van volmaaktheid die de godheid is en het eeuwige nu dat boven al het verledene en het toekomstige uitgaat. Datzelfde heeft de Zoon van God met goddelijke beknoptheid uitgedrukt: ‘Vóór Abraham was, ben Ik'.

Het is waar, dat "niemand de verborgenheden van God kent, tenzij de Geest van God" (I Cor. 2, 11) en toch rechtvaardigt het duistere schijnsel van de goddelijke dingen die ons gegeven zijn ruimschoots de uit het hart voortkomende uitroep van St. Paulus: "O afgrond van rijkdom en wijsheid en kennis van God!" (Rom. 11, 33). Wij hebben een sleutel tot deze weidse rijkdommen in de wijde hallen van ons eigen verstand; wij kunnen gastheer zijn voor heel het fysieke heelal, omdat onze ziel, in haar geestelijkheid, ontkomt aan de beperkende hinderpalen van het stoffelijke en nadert tot het oneindige. Dit is natuurlijk niet meer dan een verwijzing naar, een wenk van de goddelijke rijkdommen; want vergeleken met de wijsheid en de kennis van God, de Oneindige Geest, is de inhoud van ons verstand slechts het armzalige geld in de beurs van een bedelaar.

Gods kennis

Alleen God kan God kennen, zoals Hij verdient gekend te worden. Zelfs in de hemel, waar wij een ongesluierd aanschouwen van de godheid zullen bezitten, zal onze kennis nog verblijdend onvolledig zijn en het onuitsprekelijke niet kunnen uitputten, omdat immers het eindige het oneindige niet kan bevatten. Heel de lange eeuwigheid door zullen wij steeds meer van God kunnen kennen.

Er ligt een heel bijzondere troost in het nagaan van Gods kennis ten aanzien van ons en van de wereld. Het is iets verschrikkelijks volkomen onbekend te zijn. Zelfs de meest grauwe eenzaamheid haalt nog niet bij zulk een vreselijke afzondering. Want hoe eenzaam we ook zijn, altijd zijn wij nog onder onze medemensen, dit toch altijd nog weten wat wij zijn ondanks alle afschuw voor wit wij zijn, of waar onze droombeelden ons heen drijven. Zelfs wanneer eenzaamheid door het gezelschap van toegewijde liefde word verdreven, krimpen wij in een doodsstrijd ineen, meer dan een mens verdragen kan, omdat wij niet genoeg gekend worden en zelf niet genoeg kennen. In deze zin zijn wij altijd alleen, alleen omdat wij niet alles wat er in ons is kunnen uitdrukken, niet alles kunnen zien wat er is in gene die wij liefhebben. De vrees voor ontdekking, die ons in stille uren opjaagt, is een schrik voor vijandige of onverschillige harten; we zijn er alleen maar bang voor door onze vijanden gekend te worden. Waar liefde en begrip gewaarborgd zijn, is het geen pijn doch een zalige verlichting, wanneer zelfs onze meest verachtelijke zwakheden gezien en ondersteund worden. Dat "alles naakt en bloot ligt voor Zijn ogen" (Hebr. 4, 13) is voor ons geen schrikbeeld, maar neemt onze diepste eenzaamheid weg; het is voor ons een voortdurende troost ons te herinneren dat Hij doordringt "ook tussen ziel en geest, gewrichten en merg, rechter is ook over de neigingen en de overdenkingen van het hart; en geen schepsel is voor Hem onzichtbaar" (Hebr. 4, 12-13).

Dit is geen overdenken van hetgeen men graag heeft door een eenzaam hart, dat zijn toevlucht zoekt in verwachtingen, die niet sterker zijn dan de muren van een droom. Alles wat minder is dan de onbegrensde wijsheid is in God ondenkbaar. God weet hoever zijn hand kan reiken; alles wat er bestaat ontkomt slechts aan vernietiging, in zover de hand van God het schraagt. Hij kent de flikkerende afstralingen van de goddelijke schoonheid in het geschapene, omdat Hij die goddelijke schoonheid zo volmaakte kent. ‘Niet omdat zij bestaan,' zegt St. Augustinus, ‘kent God alle schepsels, zowel de geestelijke als de tijdelijke, maar omdat God ze kent, daarom bestaan zij. Wat onszelf betreft, wij gaan door het leven, terwijl wij met de verbazing van het kind de dingen ontdekken, die God gemaakt heeft; maar de kennis van God is geen opeenhoping van ontdekkingen. Het gebod van Zijn verstand was het vruchtbare woord, waardoor alles vanuit het niets tot het bestaan gekomen is. Hij is de goddelijke Vakman, die zich over geen enkel onderdeel van het werk, dat Hij zo wijs gewrocht heeft, verwondert.

De eeuwigheid is een mantel die gisteren, vandaag en morgen in één ogenblik, dat nooit eindigt, omhult en insluit. Aan de éne blik van God, die niettemin eeuwig is, ontgaat van dit alles niets: wat Hij gemaakt heeft, wat Hij zou hebben kunnen maken, het kwaad dat een scheurtje is in het weefsel van het goede, zelfs wat had kunnen zijn en zou geweest zijn als wij Hem niet in de steek gelaten hadden. Alles ligt naakt en bloot voor Zijn ogen; tot aan de laatste klop van een hart, het eerste aarzelende verlangen en de krachtige schreden van de hoop.

"Alle wegen van de mens liggen open voor Zijn ogen" (Spreuk. 16, 2). Onze voeten kunnen ons niet uit het zicht van God brengen. Het meest weerspannige hart ligt nog onder het bereik van zijn begrijpende ogen. Overwinning en mislukking, vervlogen dromen, afnemende moed, de krenkende hoon van ondankbaarheid en al de onevenwichtigheid van een kinderachtige opstandigheid behoeven voor God niet te worden uitgelegd. Hij kent ons, kent ons beter dan wij ooit onszelf kunnen kennen; en Hij bemint ons oneindig vanuit de oneindige diepte van die begrijpende kennis. Zijn beeld is in ons, hoe diep het ook onder het puin van ons leven begraven ligt en de hemel ligt nooit buiten het bereik van onze handen.

Terug naar het overzicht maandag 12 februari 2007