stpiusx.be | stpiex.be Contact
Printheader
Thomas van Aquino

 Geestelijke volmaaktheid

In de geestelijke orde worden de verschillende levensstaten onderscheiden naar haar verhouding tot de zedelijke of geestelijke volmaaktheid. De geestelijke volmaaktheid bestaat in de caritas, die de mens met God verenigt. Zo gezien kunnen wij een dubbele vrijheid en een dubbele slavernij onderscheiden. De mens kan een slaaf zijn van de zonde en dit is de staat van de gewoontezondaar; of hij kan een slaaf zijn van de gerechtigheid en dit is de staat van de gewone rechtvaardige man. Iemand kan vrij zijn van zonde en dit is de staat van een goed mens, die meester geworden is over zichzelf; of hij kan vrij zijn van gerechtigheid en dit is de staat van iemand, die niet door liefde tot de gerechtigheid van het kwaad wordt afgehouden.

Iemand die het ware geluk zoekt streeft ernaar vrij te zijn van zonde en een slaaf van de gerechtigheid. De wortel van deze geestelijke vrijheid is de caritas en de vrijheid zelf groeit op uit de caritas, die de andere deugden tot haar daden aanzet. Zoals overal waar groei plaatsvindt, kunnen we ook hier drie graden in de volmaaktheid van de caritas onderscheiden: de beginners, de gevorderden en de volmaakten. Het is van belang eraan te denken, dat in alle drie de graden de caritas zelf aanwezig is als de grondoorzaak van de vrijheid van zonde.

De geestelijke volmaaktheid bestaat op de eerste plaats in het onderhouden van de geboden, dit is in de liefde tot God en onze evennaaste. Zondigen tegen de geboden is ingaan tegen de caritas en bijgevolg de caritas, het wezen van de volmaaktheid, verliezen. Op de tweede plaats en bij wijze van instrument wordt de volmaaktheid aangetroffen in het volgen van de raden, armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Rijkdom en huwelijk bijvoorbeeld zijn noch zondig, noch in strijd met de caritas zelf, maar zij kunnen een beletsel vormen voor de daad van de caritas. Een huisvader kan niet zoveel tijd aan de dienst van God wijden als een religieus, die de gelofte van zuiverheid onderhoudt.

Dit betekent niet, dat werkelijke volmaaktheid alleen maar mogelijk is voor priesters en religieuzen. Door de genade van God is het voor iedereen mogelijk geestelijk volmaakt te zijn, dit is het leven van de caritas voor God en de mensen goed te leven. Een huismoeder, die tegenover het klooster leeft, kan volmaakter zijn dan verschillende zusters in het klooster. En toch leven, technisch uitgedrukt, de zusters in een staat van volmaaktheid en de huismoeder niet. De term ‘staat' betekent iets duurzaams en onveranderlijks en door haar geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid hebben de zusters zich verplicht tot een levenswijze, waaraan de huismoeder zich niet gebonden heeft.

De bisschoppen van de Kerk en de religieuzen - dat wil zeggen die zich vrijwillig door de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid gebonden hebben - leven in de staat van volmaaktheid. De bisschoppen leven in de staat van volmaaktheid, omdat hun ambt hen verplicht om te werken voor de geestelijke vervolmaking van de kudde, die aan hun zorgen is toevertrouwd en om anderen tot de volmaaktheid te brengen moeten zij zelf volmaakt zijn.
De religieuzen leven in de staat van volmaaktheid, omdat zij gebonden zijn door de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Het wezen van de volmaaktheid is de caritas of de liefde tot God boven alles. Nu kan de mens tekortschieten in het beminnen van God boven alles, omdat hij te veel houdt van uitwendige goederen, of te veel van zijn lichaam, of te veel van zijn eigen wil. Door de gelofte van armoede geeft de religieus de uitwendige goederen prijs. Door de gelofte van zuiverheid geeft hij het gewettigde gebruik van de genoegens van zijn lichaam prijs. Door de gelofte van gehoorzaamheid verzaakt hij aan zijn eigen wil en onderwerpt hij zichzelf door middel van zijn overste aan God. Zo onttrekt de religieus zich vrijwillig aan de dingen, welke hem van God zouden kunnen verwijderen. Door plechtig een leven van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid te beloven, verplicht hij zichzelf om de volmaaktheid na te streven, dit is om te trachten God op volmaakte wijze lief te hebben. Zijn geloften geven hem bij het streven naar geestelijke volmaaktheid een zekere bestendigheid of onveranderlijkheid en om deze reden zeggen we van hem, dat hij in een staat van volmaaktheid leeft; door zijn geloften heeft hij beloofd naar de volmaaktheid te streven.

Het leven dat naar geluk voert

De geestelijke volmaaktheid van bisschoppen en religieuzen is een teken van hun succes bij het zoeken naar geluk. Zij is een voorbeeld voor alle mensen. Hun oprecht zoeken naar God is als een baken op de top van een berg; dat andere mensen de weg naar geluk toont. Zoals we heel in het begin van deze uiteenzetting over de mens, het beeld van God, gezegd hebben, is het laatste doel van elk menselijk leven het geluk - de aanschouwing van God. En de betekenis van elke menselijke daad ligt in haar verhouding tot dit doel. Als zij de mens van dit doel afwendt, is zij kwaad en voert zij tot ongeluk. Als zij de mens naar dit doel toe leidt, is ze goed en zal ze de mens naar het geluk voeren. Als de mensen aan de ware bestemming van de menselijke natuur moeten beantwoorden, moeten zij al hun krachten aanwenden om God te zoeken. Het menselijk lichaam, de menselijke ziel, de hartstochten van de mens, zijn verstand en zijn wil, zijn gewoonten en zijn deugden, de genade van God en de bovennatuurlijke deugden die hem met de genade ten deel vallen - al deze wonderlijke krachten moeten bij de jacht naar geluk worden gebruikt. Door de matigheid leert de mens bij het streven naar genot zichzelf te beheersen. Door de sterkte maakt de mens zichzelf krachtig bij het najagen van het goede tegenover moeilijkheden en gevaren. Door de rechtvaardigheid leert de mens orde en vrede te stichten tussen zichzelf en de overige mensen, tussen de mens en God. Door de verstandigheid is de geest van de mens ertoe in staat al zijn menselijke daden goed te richten. Door het geloof leert de mens voor het eerst het grote doel van het menselijk leven kennen - de aanschouwing van God. Door de hoop wordt zijn hart tot dit doel getrokken. Door de caritas gaat de mens God liefhebben zoals het behoort. Door de caritas bezit de mens God reeds. Als de caritas al zijn menselijke daden richt, zal zijn leven op aarde vol zijn van de schoonheid en de kracht van God. Zolang de genade en de caritas in de ziel van de mens blijven, is de mens het beeld en de gelijkenis van God. Evenals God heeft hij het vermogen om God te zien en te beminnen. Als de mens in de liefde tot God volhardt, zal hij eens zijn doel bereiken, zijn uiteindelijk geluk. Hij zal God zien van aangezicht tot aangezicht en hij zal God beminnen zoals God Zichzelf bemint. Dan zal de mens zijn wat God bedoeld heeft dat de mens zou zijn - het beeld en de gelijkenis van God.

God en Zijn Schepsels


ÉÉN GOD

God: een feit

De weg, die zich voor de voeten van de mens uitstrekt, is een uitdaging voor zijn hart, lang voordat hij de kracht van zijn benen beproeft. Wij zijn ervoor bestemd naar de uithoeken der wereld te snellen en verder nog de duisternis in: zeker ondanks al onze verblinding, veilig ondanks al onze hulpeloosheid, krachtig ondanks al onze zwakheid, in een blije liefde, ondanks de druk die er ligt op ons hart.

In die duisternis achter de wereld kunnen wij de wereld, en onszelf gaan kennen, ook al zien wij door de ogen van een Ander. Wij beginnen te begrijpen, dat de mens niet gemaakt is om zijn leven te slijten achter de gevangenismuren van de natuur, maar om God in de armen te lopen op een weg, die de natuur nooit had kunnen aanleggen.

Het leven moet geleefd worden, ook door hen die niet de moed kunnen vinden om het in het aangezicht te zien. Bij het leven ervan moet ieder verstand op het mysterie stoten. Voor sommige mensen zal dit een juichende uitdaging betekenen: dat er zoveel kan gekend worden en de waarheid nooit uitgeput raakt, dat er nog zoveel kan worden uitgevorst, dat de waarheid een oceaan is, die het bassin van een menselijk verstand niet kan bevatten. Voor anderen betekent dit een onverdraaglijke vernedering; want het bakent de grenzen van onze trotse geest scherp af. Bij het leiden van zijn leven moet elke geest de onverzettelijke rots van de realiteit onder de ogen zien, een waarheid, die niet buigt voor onze grillen of onze fantasie, een maatstaf, waarnaar het leven en het verstand van de mens wordt gemeten.

Bij het leiden van zijn leven moet elk menselijk hart problemen zien, die in haar consequenties ontzettend zijn. Daar zijn de voor de hand liggende problemen van dood, huwelijk, priesterschap, religieuze geloften; alle hebben ze haar onnoemelijke gevolgen. Maar ook is er elke dag weer, of liever elk ogenblik weer, de keuze tussen hemel en hel. Aan elk menselijk hart, dat ooit de hem gestelde normen heeft verworpen, is het streven naar een zo verheven doel als God Zelf is, ontnomen: dit moet aanvaard of in angst ontvlucht worden.
God heeft weinig gezegd, maar dat weinige is voor ons leven van grote betekenis. Als Hij meer gezegd had, zou dit getuigen van minder eerbied van de kant van God voor de schoonheid van zijn beeld in ons. Hij houdt eraan vast, dat ons kennen en ons beminnen iets van onszelf moet zijn; de waarheid moet ons eigendom zijn omdat wij haar hebben aanvaard, de liefde omdat wij haar hebben weggeschonken. Wij zijn geschapen naar zijn beeld. Onze Schepper zal de laatste zijn om dat beeld ter wille van de zekerheid te bezoedelen of om daardoor de risico's voor de adel van de mens te verminderen.

De grote waarheden in wier licht het verstand van de mens moet zijn ondergedompeld, zijn de eindeloze volmaaktheid van God en de mogelijkheid tot vervolmaking in de mens. De verlokkingen die het hart van de mens moeten boeien, zijn de goddelijke goedheid van God en het aan de mens om niet geschonken vermogen deel te hebben aan dat goddelijk leven, en zelfs terwijl hij nog wandelt temidden van de dingen der aarde, die goddelijke goedheid te kunnen bezitten. De waarheden zijn niet minder zeker, omdat ze te duidelijk zijn voor onze ogen. Ons hart heeft niet tot taak een wispelturige minnaar vast te houden, maar zichzelf prijs te geven.
Zonder deze waarheden en de andere, die de dagen van een mensenleven vullen, zijn wij ondervoede zwakkelingen, verhongerde zwervers, lamgeslagen in ons leven, niet alleen door gebrek aan kracht, doch meer nog door gebrek aan licht. Om te leven moet de mens zich voortbewegen met de schreden van zijn hart; en hoe kan hij zich voortbewegen, voordat hij de schoonheid van Goedheid en Waarheid kan zien en daardoor getrokken kan worden?

Niemand kan zich zulk een wijsheid op tijd verwerven om er zijn leven mee te beginnen, zelfs niet op tijd om het te beëindigen. Wijsheid moet hem geschonken worden, want zij is het eigendom van God. Hij kan deze wijsheid, die hij bezitten moet, wel verkrijgen, maar niet door de wankele schreden van zijn eigen redenering. Hij kan haar verkrijgen, als hij haar wil aanvaarden van zijn Schepper. Hij kan zien in de duisternis, als hij wil kijken met de ogen van God. Hij kan zijn leven ‘ beginnen met een wijsheid, die hem geleend is door God, en zijn hart doen overvloeien van dankbaarheid om hetgeen hem geleend is; of hij kan de voorkeur geven aan het valse licht van de illusie, die hem zegt, dat hij zichzelf voldoende is, en dan sterven voordat hij begint te leven.

Zelf durft de mens het louter natuurlijke leven nauwelijks onder de ogen te zien; zelf kan hij niet eens dromen deel te hebben aan het goddelijk leven. En toch moet hij, om aan een ramp te ontkomen, niet slechts daarvan dromen, maar die droom ook tot werkelijkheid maken.
Wanneer de mens het leven begint met een wijsheid die hem door God geleend is, eindigt hij met die wijsheid te bezitten; als hij zijn schreden laat leiden door een licht dat niet het zijne is, langs een weg die te steil en te lastig is voor zijn voeten, wordt hij tenslotte verbonden met dat eeuwige Licht en treedt hij voorgoed binnen in een wereld die van God is.

Er zijn mannen en vrouwen die God niet kennen. Zij zijn geschapen voor het geluk; alle vermogens van hun verheven natuur, waarvan elk precies zijn eigen taak kreeg toegewezen, streven naar die vervulling, naar geluk. Onwetendheid geeft hen aan mislukking prijs; zij hebben een smachtend hart, dat tot barstens toe wordt voortgedreven door heel het verlangen van de natuur naar geluk, doch dit hart kan slechts zoeken in de verkeerde richting. In een zeer werkelijke zin is er een bepaalde kennis van God diep in iedere mens begraven, even diep als zijn verlangen naar geluk. Mislukking hier betekent een volledig wegschroeien van de ziel, een catastrofe. De mens vindt zijn weg naar de bedrieglijke havens, door valse goden gewezen, maar altijd door een zee van tranen, die door zijn eigen individuele natuur gestort worden:

Deze tragische gebeurtenis kan aan mensen van alle tijden overkomen. Zij is hen ook overkomen. Toch komt dit niet omdat God zover van ons afstaat, want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. Evenmin komt het, omdat de levende God voor het verstand van de mens zo diep verborgen is. De wereld is een spiegel, die verschillende facetten van de goddelijke schoonheid weerkaatst, en alles wat er bestaat verkondigt alleen al door zijn bestaan luid de naam van God: Hij, Die is. Er bestaat natuurlijk geen volledig beeld van God, dat de ogen van de mensen kan treffen en ze in betovering kan vasthouden. Eerder nog zouden we kunnen verwachten de wereld met onze armen te kunnen omhelzen dan de goddelijke volmaaktheid te omvatten met de vermogens van vingerhoedformaat, die aan de schepselen zijn toebedeeld.

Toch vormt het weinige dat wij van de oneindige volmaaktheid van God kunnen zien een verrukkelijk beeld; om dat te ontvluchten moeten wij onze ogen vestigen op iets wat dichtbij, tastbaar en verblindend is. Wie verblind is ziet slechts weinig van de dingen en nog minder van God.
Gewoonlijk kost het tijd, inspanning en een zeker geweld om zo dwaas te worden. Zowel voor eenvoudige mensen als voor de verstandigste is de drang waarmee de dingen hun geordende, natuurlijke loop volbrengen, het nauwgezette en dagelijks zich voltrekken van het wereldgebeuren, altijd een even ontzagwekkende openbaring geweest als de golving van de zee en even paradoxaal mysterieus; want beide zijn ze uiteraard even blind en niet in staat zelf zulk een beweging in het leven te roepen.

Alleen een volwassene, die de heldere kijk van de jeugd verloren heeft, gaat zijn daden en zichzelf beschouwen als zichzelf voldoende, als zijn volledig eigendom, dat nergens anders vandaan komt, in tegenspraak met het getuigen van de geschiedenis der menselijke activiteit. Voor de meeste mensen is het feit dat de mens zijn hand kan uitsteken om een slag van zijn vijand af te weren of om een vriend te bemoedigen een wonder geweest, dat zijn verstand gebracht heeft tot een wijze van denken, welke hem heeft geleid tot de God, van Wie elke activiteit afhankelijk is en Die Zelf zo goddelijk onafhankelijk is.

Het mysterie van het einde van het leven en het nog grotere mysterie van het begin van het leven, de eb en de vloed van komen en gaan, de gestadige opeenvolging van de sombere herfst en de blije lente vol belofte zorgen ervoor, dat het vrije en geordende verstand inziet wat dit alles ons duidelijk moet maken: er bestaat een leven zonder begin om alle begin te verklaren, een leven zonder einde om de dood te verklaren; een oneindige schuldeiser van het leven om aan de levenden heel dat roekeloos geleende leven te verklaren.

Terug naar het overzicht donderdag 23 november 2006