stpiusx.be
| stpiex.be
|
|||
De herder - een kerstverhaal
Door pater Brandon ArthurToen de zon aarzelend achter de heuvels van Judea zonk en het landelijk gebied op deze winteravond in lichterlaaie zette, trokken de drie herders hun mantels strakker om zich heen. "Het ziet er naar uit dat we weer een koude nacht krijgen", mopperde de grootste van de drie, evengoed tegen zichzelf als tegen de andere twee.
De derde man zat stil en diep in gedachte, zoals hij de afgelopen dagen steeds gedaan had. Omdat zij de reden kenden van het ontbreken van zijn gewoonlijk goed humeur, zorgden zij ervoor niets ter sprake te brengen dan de meest algemene onderwerpen. Ze waren van mening, dat ze de gebeurtenissen van drie dagen geleden maar het beste konden vermijden. "Ik zal nog wat brandhout gaan zoeken vóór deze sintels tot as zijn vergaan", zuchtte Abbisai toen hij opstond van de dekens die op de grond uitgespreid lagen. "Laat mij met je meegaan," riep Asaf hem na. "We kunnen beter iets nuttigs doen dan in de kou te zitten bevriezen. En jij? Kom je ook?" vroeg hij aan de stille herder. Maar die zei niets. Terwijl ze de stokjes die ze konden vinden opraapten om het vuur aan te wakkeren, mompelde Asaf op bezorgde toon: "Ik maak me zorgen over Mattatias. Over zijn verdriet; het schijnt hem te verteren." "Ik weet het. Zó heb ik hem nog nooit eerder gezien en ik weet niet hoe we hem kunnen helpen. Hij had er altijd een hekel aan om 's nachts hier buiten te zijn, maar nu wil hij komen; om maar weg te zijn uit zijn huis. De eenzaamheid van zijn huis jaagt hem de deur uit. Arme kerel! Ik weet niet hoe ík zou zijn als het mij was overkomen." Mattatias had nauwelijks opgemerkt dat de anderen hem tijdelijk alleen gelaten hadden, zozeer werd hij in beslag genomen door zijn gedachten; door zijn herinneringen... "Het is goed, Esther - alles zal goed komen." Drie dagen geleden had zijn vrouw een jongetje gebaard, een nietig kind met een ongezond gehuil. Het kind was veel te vroeg geboren, en ook de moeder was zwak. "Beloof me, dat alles goed zal komen," had ze gehuild in haar pijn, terwijl ze het jongetje zorgzaam vasthield. "Ja, ik beloof het. Je zult zien, hij zal opgroeien tot een sterke, gezonde jongen die alle dagen van ons leven bij ons zal blijven. Je zult het zien." Maar zij zou dit niet zien, want het kind ademde niet meer en lag stil in de armen van zijn moeder. Omdat zijzelf al veel te veel verzwakt was, was ze gestorven aan een gebroken hart, Mattatias alleen latend in zijn verdriet. De vroedvrouw was gebleven om de moeder en het kind af te leggen aleer ze, snikkend, hem alleen liet, knielend naast zijn zo wreed weggenomen geluk. Ongeloof veranderde in smart, en smart in woede, toen hij de reden probeerde te vinden voor dit dubbele verlies. "Waarom? ... Waarom, waarom, waarom, waarom, waarom? "schreeuwde hij, heen en weer wiebelend op zijn knieën. En nu, terwijl hij op de grond zat tussen de schapen van een ander - echt een schrale troost - fluisterde hij hetzelfde woord: "Waarom?" Toen werd de lucht, hoewel nog niet geheel donker, helemaal getooid met duizenden sterren, die vrolijk over het land schenen, als om te spotten met de rouw van de zwijgende herder. De mannen waren teruggekeerd van hun boodschap en hadden een klein vuur branden. Een vertrouwde geur hing zwaar in de lucht rondom hen heen - de geur van gestoofd lam zoals alleen een herder kan klaarmaken. "Kom op, Mattatias. Hier is iets dat zelfs jou zal opvrolijken op een avond als deze." Er werd hem een kom brouwsel aangereikt, waarvoor hij de vergenoegde kok met een knik bedankte, en hij wachtte tot de andere twee mannen op de grond waren gaan zitten. Tezamen begonnen zij een zegen te bidden over hun eenvoudig diner, maar eer zij het op hadden gebeurde er iets nogal verwonderlijks; iets dat zij tot dan toe nog nooit hadden meegemaakt noch ooit weer zouden meemaken. Zij zagen een helder licht in de lucht boven zich; geen natuurlijk licht, want het was nu nacht en de elektriciteit was nog niet uitgevonden. Dit was een licht direct boven en vóór hen, waarin zij nauwelijks konden kijken. Nu was het de beurt aan de twee andere, spraakzame herders om stil te vallen, want zij waren heel bang. Door hun oogharen glurend konden zij in het midden van het licht een soort menselijke gestalte onderscheiden; gelijkend op een mens, omdat het niet gewoon is voor een mens, boven de aarde te hangen in het midden van een groot licht. Wíj weten zeker wat zíj toen vermoedden; zij bevonden zich in de tegenwoordigheid van een engel. Niet een mollig cherubijntje zoals we zouden veronderstellen, maar een imposante gestalte, vol waardigheid en ontzagwekkend om te zien. Zou dit het einde van de wereld kunnen zijn? Zouden zij gestraft worden voor hun zonden? Wat zou er gebeuren met de schapen? Op dat moment vulden duizend angsten hun geest, maar dan sprak de engel, niet met een donderende stem vol toorn, maar geruststellend met een krachtige maar vriendelijke stem. "Vreest niet"zei hij, en daarmee verdween de angst die zij gevoeld hadden als bij toverslag. "Vreest niet, want heden breng ik u vreugdevol nieuws, bestemd voor alle mensen. Heden is u in de stad van David een Verlosser geboren, Christus de Heer. Dit zal voor u een teken zijn: u zult een Kind vinden, gewikkeld in doeken en liggend in een kribbe". Wat er verder gebeurde hoorden we allemaal als kinderen vele Kerstmissen geleden: bij de engel was een heel leger van zijn gezellen die de lucht leken te vullen met licht, zodat de nacht voor een dag gehouden kon worden. In een groot koor zongen zij een lied, zoals geen enkele aardse componist ooit zou kunnen nabootsen: Eer aan God in de hoge, en vrede op aarde aan de mensen van goede wil! En daarna verdwenen zij, en lieten de herders dom naar de lege lucht starend achter. "Ben.. ik... gek?" stotterde Abbisai.
"Als jij gek bent, dan ben ik het ook", fluisterde Asaf traag. "De stad van David. Welke stad is dat?" Na lange tijd, toen hij Bethlehem van Juda bereikte, herkende hij de stallen buiten de stad. Hij had daar bij gelegenheid geschuild als het weer bijzonder slecht was. Je wilde in zo'n hok alleen in de dringendste omstandigheden verblijven, dacht hij bij zichzelf. Maar toen hij de stal naderde, zag hij een licht schijnen door de tochtige muren en begon hij het huilen van een klein kind te horen. Zijn hart brak voor misschien wel de honderdste keer toen hij dacht aan zijn eigen kleintje, maar nog kon hij er niet toe komen, om te keren. Het huilen van het kind leek hem te wenken. "Waarom zou een kind hier zijn in de nacht? Wat voor een onverantwoordelijke ouder zou zoiets doen? Ik zal iedereen daar eens zeggen wat ik er van denk," dacht hij verontwaardigd. Toen hij bij de deur kwam tilde hij de roestige klink omhoog en duwde, maar wat hij zag verraste hem. (Hij had dit verhaal niet gehoord aan zijn moeders schoot, zoals wij het van haar hebben gehoord.) Een man en een vrouw stonden gebogen over de kribbe in bewondering voor een volmaakt gevormde pasgeboren kind, gewikkeld in doeken. Naast de ouders, weerszijden van de kribbe, knielden twee ruwe mannen met bekende gezichten - de herders met wie hij van plan geweest was een saaie avond door te brengen. Het middelpunt van de aandacht was natuurlijk het Kind, dat gestopt was met huilen en nu aandachtig keek naar de nieuwkomer en hem de liefste glimlach gaf die een pasgeborene ooit gegeven had. Nog vervuld van zijn scherpe verdriet, wendde hij zijn ogen af. "Ik geloof dat hij bij u wil komen," zei de moeder met een zachte stem maar met moederlijke trots, terwijl ze het kind zachtjes van zijn rustplaats nam en de herder wenkte om naderbij te komen. Eerst greep paniekde arme man aan, toen het kind in zijn armen werd gelegd, maar toen.... Alle verlegenheid verliet hem, en zijn ogen werden getrokken tot dit kleine kind, dat met vroegrijpe aandacht in zíjn ogen keek. Er werd geen woord gesproken, maar er werd een stem gehoord; ten minste híj hoorde hem. Het was de stem van een kind, hoewel geen kinderlijke stem. "Mattatias - goede lieve Mattatias." Hij antwoordde op een soortgelijke manier, niet met woorden maar met gedachten. "Wie ben je?" "Ik ben de geborene, maar ongeschapene. Ik ben het begin dat geen begin had. Ik ben het kind waarop het fundament van de wereld rust. Ik ben het Woord dat geen woorden nodig heeft." Dit was werkelijk een verrassende onthulling, maar misschien niet zo verrassend als het feit dat Mattatias niet verrast was. "Bent u Hij die is? Schepper van alle dingen? Die leven geeft en neemt?" "Die ben Ik. En Ik lees uw gedachten beter dan u zou verwachten. Ik ken uw verdriet. Ik zag uw tragedie gebeuren. En u bent boos." Mattatias zuchtte door zijn weer opkomend verdriet. "Ja. Ik ben boos dat mijn vrouw en kind weggenomen zijn. Was ik niet een goede echtgenoot? Zou ik niet een goede vader geweest zijn? Waarom gebeurde dit? Ik moet weten waarom." "U was een goede echtgenoot voor uw vrouw en zal dat blijven. Een kind zou zich geen betere vader hebben kunnen wensen. Het was geen straf voor de een of andere zonde dat uw geliefden weggenomen werden." "Ben ik dan hatelijk voor God?" vervolgde hij in zijn ongesproken taal. "Ik haat niet, Mattatias; Ik bemin. Hoeveel u ook houdt van uw vrouw en kleine jongen, Ik houd nog meer van hen. Ik kende hen vóór de zeeën de kusten van de landen vormden. Vóór de sterren in de lucht werden geplaatst, hield Ik van hen. Ik was het die leven blies in hun zielen en hen maakte tot wat zij zijn. Ik heb ieder ogenblik van hun leven gekend en Ik was er toen uw tragedie toesloeg. Ik ken hen en bemin hen nog." "Zou u ze niet hebben kunnen redden, Heer?" De titel leek de meest normale manier om het kind aan te spreken. "Ja, dat zou gekund hebben, want Ik ben Heer over het leven dat Ik geef en over de dood die komt voor alle mensen die geboren zijn. Zelfs het kind dat u in uw armen houdt zal aan dit pijnlijke lot niet ontkomen; en zijn dood zal pijnlijker zijn dan alle andere." "Waarom? Waarom liet U dit toe?" Mattatias voelde dat hij deze vraag moest stellen, dezelfde die wij allemaal stellen in onze donkere ogenblikken van twijfel en angst en pijn. "Wat was de reden?" "Mijn wegen zijn eeuwig en mijn wijsheid oneindig. Ik zie het leven en al zijn mogelijkheden en Ik doe wat het beste is. Voor de mensen die niet vertrouwen op mijn liefde zal er geen enkele uitleg volstaan, en voor hen die dat wel doen, is geen uitleg nodig. Ik vraag u niet te begrijpen, maar Ik vraag u te vertrouwen; erop te vertrouwen dat Ik niets neem zonder reden; dat Ik niets neem zonder honderdvoudig terug te schenken; dat zelfs de meest tragische gebeurtenis toegelaten wordt, niet uit onachtzaamheid, en zeker niet uit haat, maar door mijn liefde. Ik haat Mattatias niet, maar Ik bemin hem". De dichte wolken van verdriet die het hart van deze goede man hadden omgeven, begonnen op te lossen, en waar duisternis was geweest, begonnen stralen van licht door te breken. "Ik heb nog één vraag, Heer. Zijn zij gelukkig?" "Zij zijn gelukkig. En zij wachten geduldig op de dag dat u bij hen zult komen." Bij deze woorden kon de sterke herder niet voorkomen dat er een traan over zijn wangen liep. Het kind gaf een liefdevol rukje aan de puntbaard van de herder en draaide zich met zwaaiende armpjes naar zijn moeder, die hem van Mattatias overnam en hem zacht koesterde in haar eigen armen, waarop het kind zijn oogjes sloot en in slaap viel. Na enkele ogenblikken getalmd te hebben maakte de herder een diepe en eerbiedige buiging voor de familie vóór hem en verliet rustig de stal. Terwijl hij doorliep hoorde hij voetstappen achter zich en draaide zich om, om Abbisai en Asaf achter zich te zien met gebogen hoofd en zwijgende tong, want ook zij hadden ieder een "gesprek" gehad. Zonder een woord keerden de goedhartige herders terug naar hun kudde, waarvan enkele schapen opstonden bij het herkennen van hun meesters. Mattatias was de eerste die sprak, en nu met een andere stem, meer zoals zijn vroegere vrolijke persoon: "Laat ons eens kijken hoe we dat vuur aan de gang kunnen krijgen en wat van dat brouwsel kunnen hebben. Ik rammel van de honger." De andere twee glimlachten instemmend en de stilte werd verder verbroken door het blaten van een schaap.
|
|||
|
|||