stpiusx.be
| stpiex.be
|
|||
Geachte lezers
Kerstmis - feest van de menswording van de Zoon van God - de geschiedenis van het mensdom bereikt een keerpunt.
De heidenen maken zich met eigen handen afgoden. Beelden, ontworpen naar het model van een geliefde mens, naar een of ander dier of een vrij verzinsel van de menselijke geest. Product van vreugde, lijden, hoop, angst of enig andere inwendige menselijke ervaring. Voor de gemaakte ‘heiligen' vallen ze op hun knieën neer. Hun verering is gericht op de een of andere mannelijke of vrouwelijke godheid. Ze willen gunsten vragen: bescherming tegen de ruwheid van de natuur, beterschap in ziekte, zegeningen voor een gelukkiger leven. Alles in verband met het alledaagse leven. Isaïas - de profeet van de adventstijd - verkondigt waar het uitverkoren volk al lang naar verzucht, spreekt woorden die de Israëlieten uit het hart gegrepen zijn. Koning Aram bedreigt Jeruzalem. In naam van God biedt Isaias aan koning Achaz een teken van bevrijding. De koning van Israël echter wil geen teken van God om Hem zogezegd niet te tarten. Isaïas wordt kwaad op Achaz en op heel het volk: ‘Luister dan huis van David! Is het niet genoeg, mensen ongeduldig te maken, dat gij ook het geduld van mijn God op de proef stelt?' In plaats van straf kondigt hij het toekomstige teken van redding aan, dat een onvoorstelbare omwenteling teweeg zal brengen. God die boven - en buiten - alles staat, zal zich te kennen geven op een wijze die niemand verwacht. Het teken is van overweldigende tederheid: ‘Zie de maagd zal ontvangen, en een zoon baren; zij zal hem noemen God-met-ons. Stremsel van melk en wilde honing zal hij eten, totdat hij het kwade weet te verwerpen, en het goede te kiezen.' (Is. 7, 14) God nadert de mens om hem nabij te zijn. Niemand moet Hem meer vrezen, want Hij verschijnt onder de gestalte van een kind, geboren uit een maagd, iedereen zal Hem beminnen.
Sint Paulus eerst ijveraar in de beoefening van het geloof van het Oude Testament en vervolger van de Christenen geeft in de brief aan zijn leerling Titus blijk van zijn eigen verbazing: ‘Veelgeliefde, verschenen is de goedertierenheid en mensenliefde van God, onze Zaligmaker. Hij heeft ons gered, niet om werken van gerechtigheid, door ons zelf verricht, maar louter uit barmhartigheid van zijn kant.' (Tit. 2, 11) Hij wijst op het onverhoopte geschenk van Kerstmis: God komt bij de mens. Ook Sint Jan brengt in zijn eerste brief dezelfde gevoelens onder onze aandacht: ‘Wat van de aanvang af bestond, wat wij hebben gehoord, wat wij met onze ogen hebben gezien, wat we mochten aanschouwen en met onze handen mochten betasten met betrekking tot het Woord des Levens: ja, waarlijk het Leven is verschenen en wij hebben het gezien; en wij leggen getuigenis af en brengen u de boodschap van het eeuwig Leven, dat bij de Vader was en aan ons is verschenen; - wat wij dan hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij ook aan u, opdat gij gemeenschap mocht hebben met ons.' De evangelies vieren deze toenadering van God; steeds weer verhalen zij ons episoden uit het leven van Onze Heer en leggen juist de klemtoon op de menselijkheid van de verschenen God. Jezus wandelt samen met de apostelen, Hij eet samen met hen, Hij knielt voor hen neer om hun voeten te wassen. De zieken geneest Hij niet op afstand maar komt dichtbij, raakt aan, legt zijn vingers in hun oren, maakt slijk van zijn speeksel en strijkt het op de ogen van een blinde.
|
|||
|
|||